SPQR > Versie 1
7.7c het wonder
Toen stond koning Nebukadnessar verstomd, en hij stond haastig op, en zei tegen zijn raadsheren: ‘Hebben wijniet drie mannen in het midden van het vuur gegooid, met vastgebonden voeten?’ Zij zeiden, de koning
antwoordend: ‘Inderdaad, koning.’ Hij antwoordde en zei: ‘Kijk, ik zie vier mannen, los, en wandelend in het
midden van het vuur, en geen enkele schade is aan hen, en de verschijning van de vierde is gelijk aan de zoon
van God’. Toen ging Nebukadnessar naar de ingang van de oven met brandend vuur, en zei: ‘Sadrach, Mesach
en Abednego, dienaren van de verheven God, ga naar buiten en kom.’ En meteen kwamen Sadrach, Mesach en
Abednego naar buiten uit het midden van het vuur. En de verzamelde satrapen en magistraten en rechters en
machtigen van de koning bekeken deze mannen, aangezien het vuur niets aan bacht had gehad over un
lichamen, en het haar op hun hoofd was niet verschroeid, en hun jassen waren niet veranderd, en de geur van
vuur was niet tot hen doorgedrongen.
En Nebukadnessar nam het woord en zei: ‘Geprezen (zij) hun God, namelijk van Sadrach, Mesach en Abednego:
hij zond zijn engel, en redde zijn dienaren, die geloofden in hem en het woord van de koning negeerden, en
hun lichamen overleverden opdat zij niet dienden, noch aanbaden elke god, behalve hun eigen God. Door mij
dus wordt dit decreet uitgevaardigd: dat elk volk, elk district en elke taal, dat ook maar een godslastering tegen
de God van Sadrach, Mesach en Abednego zal hebben uitgesproken, te gronde zal gaan, en zijn huis zal worden
verwoest: er is immers geen andere god, die zo kan redden.’
Toen gaf de koning Sadrach, Mesach en Abednego een hogere positie in de provincie van Babylon

