Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Studium > Boek 2

Caput 3 : Gevaar

Als de duistere nacht, de villa, de velden, de rivier en de bossen bedekt, valt de ganse familie, die in de grote villa woont, in slaap. Maar de meester, die niet in slaap kan vallen, gaat in de stal van de paarden, waar twee dienaren de bewaking van de villa verzorgen. De dienaren, die de villa bewaken, zijn Lentus en Celer. Celer zegt tegen de meester, die de stal binnenkomt: << Gegroet, meester, alles is uitstekend. Wij slapen niet. >> De meester: << Bewaakt de ganse nacht. De dienaar, die de bewaking van de villa verwaarloost, wordt gestraft. Past op, de bandieten, verzamelen zich immers s' nachts in de bossen en zij brengen een bezoek aan de villas. Zij willen geld, paarden, de voorraad graan, kortweg alles aan de mensen ontrukken. Blijft altijd in de stal ! Roept mij, als gevaar aanwezig is. Ik verleen jullie altijd hulp. >> Celer: << Wij blijven hier, meester, en wij verwaarlozen niets. Met U trotseren wij alle gevaren. >> Daarna gaat de meester naar zijn kamer en begint te slapen. De twee dienaren zitten in de stal. Lentus is niet vrolijk: << Het leven van een dienaar is altijd hard, zegt hij, hij moet immers altijd werken. De meester, wiens leven gelukkig is, beveelt hem altijd. Wie van ons is gelukkig ? Welke dienaar kan gelukkig zijn ? Wij zijn allen ongelukkig. Ik ben een Germaan uit een nobel geslacht, maar door de schuld van de Romeinen ben ik nu een dienaar (een slaaf). Als ik over mijn leven nadenk, schieten mij vele dingen te binnen, maar de wreedheid van de Romeinen overtreft alles. Door de hebzucht van het Imperium onderdrukken de Romeinen de rechten van de andere volkeren. >> De dienaar, die Celer heet, vraagt hem: << Waarom ben je altijd lui, Lentus ? Onze meester houdt niet van luie dienaren. Zijn leven is niet gemakkellijk: Hij moet kijken naar alles, wat de dienaren verwaarlozen. Alle dingen, die je zegt, zijn waar, maar door redevoeringen kun je de feiten niet veranderen. Ik ben een dienaar vanaf mijn prille jeugd, maar onze meester, aan wie wij dienaren gehoorzamen, is een goede man. Ik hou van hem. Verander je gedachte. Goede dienaren ontvangen van hem dikwijls geschenken. >> Lentus: << Gij zegt dat onze meester goed is, maar ik hou niet van de meester, van wie ik nooit geschenken ontvang. Ik moet gehoorzamen aan een Romeinse heer, die mij nooit looft...Ziedaar, onze hond slaapt, zijn hooft ligt tegen de grond. >> Celer: << De hond, die je ziet, slaapt niet; ook nu hoort hij alles. >> Lentus: << Ik wil ook slapen. >> Hij begint te slapen. Celer bewaakt echter alles. Ondertussen verlaten drie mannen het bos en naderen voorzichtig de villa. En van hun gaat de overige vooraf. Hij kijkt naar alles. Plots blijft hij staan. De tweede vraagt hem: << Wat zie je ? Zie je de stal ? >> De derde: << Welke stal ? Zegt hij een stal te zien ? >> De tweede: << Jij bent een dwaas ! Wij zoeken de stal in welke de paarden zijn. >> De eerste: << Sstt ! Zwijgt ! Ik zie de stal, die wij zoeken, Komt ! >> De twee mannen, die hij bij zich roept, komen naar hem toe. Allen kijken nu naar de stallen van de villa. De derde: << Wie bewaakt de villa ? Ik ben bang. Zodra ik dienaren of honden zie, vlucht ik. Ik ga naar die villa niet door mijn eigen wil. >> Primus: << Ik ken je wel, maar ik waarschuw je: Gij blijft bij ons. Wij naderen de stad niet, maar de villa van een rijke Romein. Zij beschermen de villa niet met wallen.In het midden van de nacht slapen, en de meester en de dienaren...Ziehier, de deur van de stal ! Die is open ! O, de overwinning !! >> De drie bandieten, waarvan de namen ons reeds bekend zijn, gaan de grote stallen binnen. Het zijn Bibulus, Audax en Timidus. Bibulus: << Gij hebt toch zeker wel een speer, Audax ? Audax: << Die heb ik. Boog en pijlen heb ik ook bij. >> Timidus: << Ik heb een stok. >> Bibulus: << Waar zijn de paarden ? Ik zie alleen maar koeien. >> Audax: << Hier ! Ik zie vele mooie paarden. >> Timidus: << Gij ziet toch zeker de honden niet ? Zijn er honden in de villa ? Ik vrees honden. >> Plots loeit een koe. Timidus: << Stom beest ! Waarom loei je ? Ha !! Mijn stok...>>Timidus heft de stok op en hij slaat er bovendien de koe mee. Opnieuw begint de koe te loeien. Bibulus: << Herculus ! Waaom sla je haar, dwaas ? >> Nu begint een andere koe, daarna een andere, en ten slotte loeien alle dieren. Celer: << Wat hoor ik ? Al onze koeien loeien. >> De zwarte hond heft het hooft op en begint te blaffen. Celer: << Hond, kom mee met mij ! >> De hond blaft veel en Lentus wordt uit zijn slaap gewekt. Lentus: << Wat ?...Waar ?...Waarom ? ...>>