Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 9, tekst 6: Plinius en zijn slaven

De ziekten en zelfs sterfgevallen van mijn personeel, en bovendien jonge mannen, hebben mij veel verdriet gedaan. Er zijn twee redenen tot troost, die, hoewel ze helemaal niet opwegend zijn tegen zo grote pijnen, toch redenen tot troost zijn: één troost is het gemak van het vrijlaten (want ik vind helemaal niet dat ik ze te vroeg verloren heb, diegene die ik, al als vrijgelatenen, heb verloren), de tweede troost is het feit dat ik toesta dat slaven ook als het ware testamenten maken, en dat ik deze, als wettig, in acht neem. Ze dragen daarin op en ze vragen wat ze willen; ik gehoorzaam, zoals mij bevolen is. Zij verdelen, zij geven, zij laten achter, als het maar binnenshuis blijft; want voor slaven is het huis een zekere staat en als het ware een gemeenschap. Maar hoewel ik rust vind door deze troosten wordt ik toch ontmoedigd en gebroken door diezelfde menselijkheid, die mij ertoe gebracht heeft, om juist dit toe te staan. Daarom zou ik toch niet harder willen worden. Ik weet heel goed dat anderen dergelijke zaken niets meer dan een schadepost noemen en dat ze zichzelf daarom grote en wijze mannen vinden. Of deze groot en wijs zijn, weet ik niet; maar ze zijn geen mensen. Want het is eigen aan mensen om getroffen te worden door verdriet, om gevoel te hebben en je er toch tegen te verzetten en troost te zoeken, het is niet eigen aan de mens om geen troost nodig te hebben. Hierover heb ik misschien meer geschreven dan ik moest, maar minder dan ik wilde. Want verdriet schijnt ook een zeker genoegen, vooral, als je uithuilt op de borst van een vriend, bij wie er of lof of begrip gereed is voor jouw tranen. Gegroet.

Statistieken

Vertalingen op de site: 7.304

Nieuw afgelopen maand: 26

Gewijzigd afgelopen maand: 30