Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 2

Hoofdstuk 34, tekst A

Er zijn mensen die menen dat de Christenen de oorzaak zijn van alle openbare rampen, alle ongelukken van het volk.
Stel dat de Tiber de stad zou overstromen, stel dat de Nijl de akkers niet zou
overstromen, stel dat de aarde beweegt, of stel dat er honger of een epidemie zou
zijn, zou er meteen worden uitgeroepen: “De Christenen voor de leeuwen!” Als er
geen Christenen zouden zijn, zou het volk anderen zoeken, om te beschuldigen.
Wie zou hieraan kunnen twijfelen? Maar de Christenen worden onterecht
beschuldigd. Want voor Tiberius, dat wil zeggen voor de komst van Christus,
hoeveel rampen hebben de wereld en de stad getroffen! Je had Griekse eilanden
kunnen zien die door een aardbeving zijn omgekomen samen met duizenden mannen.
Waar waren toen, ik praat niet over de Christenen, de minachters van jullie
goden, jullie goden zelf? Je had kunnen zien dat het capitool door de Galliërs
werd bezet. Toch werden jullie goden door iedereen vereerd. Tot nu toe vereerde
niemand in Rome de ware god, toen Hannibal zoveel Romeinse edelen bij Cannae
overwon. Als er christenen waren, zouden zij worden beschuldigd. En ook Campanië klaagde niet over de Christenen toen het vuur vanaf
z’n eigen berg Pompeď bedekte. Waarom worden de Christenen dan beschuldigd?
Het volk haat hen en ze verzinnen de beschuldiging ter verdediging van hun
haat.