Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1

Hoofdstuk 17, tekst B: taaloefeningen (versie 2)

A
1. hij stelde uit -- P
2. hij wil liever
3. toen hij toestond -- P
4. hij staat toe
5. hij was gevallen
6. zij willen liever
7. hij toont / hij toonde
8. jij wil liever
9. wij wilden liever
10. hij vermeerderde -- P
11. zij plaatsten
12. zoals ik toonde

C
1. urbem propinquam = hij kwam bij de vlakbij gelegen stad.
2. auxilio nostro = zonder onze hulp overwon hij de vijand.
3. templis pulchris = de goden wonen in de mooie tempels.
4. pugnis crudelibus = hij vertelde over verschrikkelijke gevechten.
5. urbe sua = zij verdreven de Galliėrs uit hun stad.
6. noctem longam = na een lange nacht gaat hij naar huis
7. cives Romanos = hij leeft tussen Romeinse burgers.

D
1. Jij bent een man met een goed karakter.
2. Wij zijn verschrikt door lawaai.
3. In het hele huis is er stilte.
4. Omdat zij jullie met weldaden hadden geholpen, prezen wij hen.
5. De mannen met de enorme lichamen maken jullie bang.