Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1

Hoofdstuk 16, tekst A: taaloefeningen

Taaloefening A

1 Dicit Amicum verum Marcum esse
Hij zegt dat Marcus een echte vriend is
2 Dicit milites fortes pugnare
Hij zegt dat de soldaten dapper vechten
3 Dicit liberos dormire
Hij zegt dat de kinderen slapen
4 Dicit puerum tacere
Hij zegt dat de jongen zwijgt

B
1 Hij zei dat Marcus een echte vriend was
2 Hij zei dat de soldaten dapper vochten
3 Hij zei dat de kinderen sliepen
4 Hij zei dat de jongen zweeg

C
1 narrare-te vertellen
2 rapere-te grijpen
3 monere-te waarschuwen
4 ponere-te plaatsen
5 scire-te weten
6 spectare-te kijken naar
7 audire-te horen
8 sperare-te hopen
9 tollere-verheffen
10 nolle-niet willen
11 esse te zijn
12 stare-te staan
13 vincere-te overwinnen
14 amittere-te verliezen
15 accipere- te ontvangen
16 vulnerare- te verwonden
17 apparere- te verschijnen
18 cupere- te verlangen
19 videre - te zien
20 petere-te vragen

D
1. Hij hoopte dat de slaven aanwezig waren.
2. Ik wil dat jij dit doet.
3. Jullie verlangen dat jullie kinderen boeren zijn.
4. Livius vertelt dat de Romeinen de vijanden hebben overwonnen.
5. Het past dat wij van het vaderland houden.
6. Zij bemerken dat wij niet wijs zijn.
7. De getuige bevestigd dat zij ongedeerd zijn.
8. het doet mij pijn dat jij dat denkt.
9. Hannibal beveelt alle soldaten bijeen te komen.
10. Scipio meende dat Hannibal wreed was.
11. Het is gebruikelijk dat de burgers de stad verdedigen.
12. Het gerucht gaat dat de aanvoerder Scipio de overwinnaar is.
13. Het is noodzakelijk dat zij thuisblijven.
14. Zij bergrepen dat zijn leven eervol was.
15. Scipio verbood de gezanten het kamp te verlaten.
16. Moeder zei dat vader ongelukkig was.
17. de soldaten zeiden dat de aanvoerder de hoop van de stad was.
18. Hannibal wilde liever dat zijn soldaten wreed waren dan slaven.
19. Ik verlang ernaar Hannibal te vergeven.
20. Hij vond dat Marcus dit begreep.

E
1 Hannibal, hoewel hij de hoge bergen heeft gezien, is toch voortgegaan naar ItaliŽ.
2 De gezanten hebben gezegd dat Hannibal Rome wil belegeren.
3 Wij weten dat de goden het Romeinse volk beschermen.
4 Hij is begonnen een redevoering te hebben toen hij had gezien dat allen aanwezig waren.
5 De Consul heeft tegen Scipio gezegd dat de Romeinse soldaten niet bang zijn.
6 Vecht voor vrijheid, voor vrouwen, voor het vaderland!
7 De gezant van de Romeinen heeft geroepen dat de soldaten Hannibal kunnen overwinnen.
8 Ik begrijp dat ze hem niet ontvluchten.
9 Ik weet dat ik niets weet' heeft de wijze man gezegd.
10 Ik beveel je me te helpen.
11 Ik wil dat allen blijven.