Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1

Hoofdstuk 14, tekst C: taaloefeningen

A
1. hij stelde uit -- P
2. hij wil liever
3. toen hij toestond -- P
4. hij staat toe
5. hij was gevallen
6. zij willen liever
7. hij toont / hij toonde
8. jij wil liever
9. wij wilden liever
10. hij vermeerderde -- P
11. zij plaatsten
12. zoals ik toonde

B
1. Ik was ongedeerd.
1ste persoon praesens: sum
2. Jullie renden naar de muren.
1ste persoon praesens: curro
3. Ik maakte het volk bang.
1ste persoon praesens: terreo
4. Jullie hadden de vijanden verdreven.
1ste persoon praesens: expello
5. Hij wil niet komen.
1ste persoon praesens: nolo
6. De tijd was voortgegaan.
1ste persoon praesens: procedo
7. Zij maakten vrede.
1ste persoon praesens: facio
8. Hij was de stad binnengevallen.
1ste persoon praesens: invado
9. De bode vertelde.
1ste persoon praesens: narro
10. Wij beloofden vrede.
1ste persoon praesens: promitto

C
1. urbem propinquam = hij kwam bij de vlakbij gelegen stad.
2. auxilio nostro = zonder onze hulp overwon hij de vijand.
3. templis pulchris = de goden wonen in de mooie tempels.
4. pugnis crudelibus = hij vertelde over verschrikkelijke gevechten.
5. urbe sua = zij verdreven de Galliėrs uit hun stad.
6. noctem longam = na een lange nacht gaat hij naar huis
7. cives Romanos = hij leeft tussen Romeinse burgers.

D
1. Jij bent een man met een goed karakter.
2. Wij zijn verschrikt door lawaai.
3. In het hele huis is er stilte.
4. Omdat zij jullie met weldaden hadden geholpen, prezen wij hen.
5. De mannen met de enorme lichamen maken jullie bang.
6. 's Nachts hebben de mensen de gewoonte te slapen, zoals jij weet.
7. Wij waren begerig naar vrijheid.
8. Jullie moesten vechten, toen de vader in gevaar was.
9. Hij kon de Galliers niet uit de stad verdrijven.