Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Ascensus > 4e Jaar

De catilinae coniuratione, hoofdstuk 40

Zo gaf hij een zekere P. Umbrenus de opdracht contact op te nemen met de gezanten van de Allobrogen en hen zo mogelijk tot deelname aan de oorlog te bewegen. Hij was ervan overtuigd dat mannen die gebukt gingen onder schulden, zowel openbare als particuliere, en die bovendien zoals alle GalliŽrs oorlogszuchtig van aard waren, gemakkelijk tot een dergelijk besluit konden worden overgehaald.
Daar Umbrenus in GalliŽ als bankier werkzaam was geweest, was hij bij de meeste stamhoofden bekend en kende hen ook zelf. Zodra hij dus de gezanten op het forum had opgemerkt, klampte hij hen zonder dralen aan met enkele vragen betreffende de toestand van hun land, en onder de mom van medevoelen over hun benarde toestand begon hij hen verder uit te vragen welke uitkomst ze verhoopten voor zo'n grote rampspoed.
Toen hij dan hun klachten vernam over de schraapzucht der magistraten, hun beschuldigingen aan het adres van de senaat, bij wie helemaal geen hulp te vinden was en hoorde dat zij voor hun miserie als enig redmiddel de dood afwachtten, zei hij: "Maar ik kan u, mits jullie maar echte mannen willen zijn, een middel aanwijzen om aan zo grote rampspoed te ontkomen."
Nauwelijks had Umbrenus deze woorden gesproken of de Allobrogen, met de grootste hoop vervuld, baden hem dat hij zich over hen zou ontfermen; niets kon zo lastig, noch zo moeilijk zijn, of zij deden het met volle overgave, mits ze hierdoor hun volk uit de schulden konden halen.
Hij bracht hen naar het huis van D. Brutus dat in de buurt van het forum lag en niet vreemd was aan de samenzwering, Brutus was namelijk op dat ogenblik weg uit Rome.
Bovendien liet hij Gabinius ontbieden om zijn woorden bewijskracht bij te zetten. In zijn tegenwoordigheid onthulde hij de samenzwering, gaf de namen van de deelnemers, daarbij noemde hij nog veel andere mannen van allerlei soort die volkomen onschuldig waren om het enthousiasme van de gezanten nog aan te wakkeren. Toen ze hun hulp hadden toegezegd, liet hij hen naar huis gaan.