Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Ascensus > 4e Jaar

De catilinae coniuratione, hoofdstuk 27

Bijgevolg zond hij C. Manlius naar Faesulae en naar dat deel van EtrutiŽ, Septimius, iemand uit Camerinum, naar de vlakte van Picenum, C. Julius naar ApuliŽ, bovendien de een hier -en de ander daarheen, overal waar hij geloofde dat die voor hemzelf nuttig zou zijn. Ondertussen ondernam hij veel tegelijkertijd in Rome, hij legde een hinderlaag voor de consuls, bereidde brandstichtingen voor en bezette gunstige plaatsen met bewapende mannen. Zelf was hij gewapend en beval dat ook de anderen, hij spoorde hen aan om altijd op hun hoede en voorbereid te zijn, dagen -en nachtenlang was hij druk in de weer, hij stond op wacht en noch door gebrek aan slaap, noch door het zware werk werd hij afgemat. Ten slotte, toen niets opschoot hoewel hij veel ondernam, riep hij opnieuw in het holst van de nacht de kopstukken van de samenzwering bijeen langs M. Porcius Laeca om, en daar klaagde hij erg over hun lafheid. Hij toonde dat hij Manlius vooruitgezonden had naar die menigte, die hij had voorbereid om de wapens te grijpen en dat hij ook anderen naar andere gunstige plaatsen vooruitgezonden had, die de oorlog moesten beginnen, en hij toonde dat hij naar zijn leger wenste te vertrekken als hij eerst Cicero uitgeschakeld zou hebben. Hij toonde dat die zijn plannen erg in de weg stond.