Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fabulae

Hoofdstuk 45, oefening 237: Mucius redt door het verlies van een hand het vaderland

Toen Porsenna bij een eerste poging Rome niet had kunnen innemen, sloeg hij zijn legerkamp op bij de vlakte en oevers van de Tiber om haar te belegeren, na op de Janiculum een garnizoen achtergelaten te hebben. Van overal voerde hij schepen aan om niet toe te laten dat er iets van graan Rome ingevoerd werd en om soldaten de rivier over te zetten voor de verwoesting van de akkers. In korte tijd had hij elk Romeins stuk bouwland zo onveilig gemaakt, dat ook al het vee de stad ingedreven werd en niemand het waagde zijn kuddes buiten de poorten te weiden. Porsenna hoopte dat hij met een langdurig beleg de stad zou overmeesteren.
Gaius Mucius, een adellijke jongeman, nam dit hoog op: toen het Romeinse volk onder gezag van koningen stond, was het in geen oorlog en door geen vijand, welke dan ook, onderdrukt; nu echter werd datzelfde volk, terwijl de vrijheid hersteld was, door diezelfde Etrusken belegerd, wier legers het vaak verjaagd had. En dus besloot Mucius aanvankelijk om zich spontaan naar het kamp van de vijanden te begeven, opdat hij met een of andere grootse en moedige daad dergelijke schande zou wreken. Vervolgens was hij bang om als een deserteur voor de consuls gesleept te worden, wanneer hij bij toeval door Romeinse wachters in de kraag gevat werd. Daarom toog hij naar de senaat en zei: "Ik wil de Tiber oversteken, heren senatoren, en het kamp van de vijanden binnengaan. Ik heb een zeer grote daad voor ogen, als de goden helpen."
De vroede vaderen stemmen in; met een zwaard, verborgen onder zijn kleding, vertrekt hij.
Wanneer hij daar aankomt, stelt hij zich dicht bij de koninklijke zetel op temidden van een zeer grote menigte soldaten. Er werd daar toevallig aan de soldaten hun soldij uitgekeerd en een secretaris die naast de koning zat in ongeveer gelijke kledij, handelde vele zaken af en naar hem gingen de soldaten toe. Dan houwt hij, bang om te vragen wie van beiden Porsenna is, in een fatale vergissing de secretaris neer in plaats van de koning. En toen hij vandaar voor zichzelf door de massa een weg had gebaand, werd hij, in de kraag gevat, in tegenwoordigheid van de koning voorgeleid. Maar ook onder zulke grote dreigingen voor zijn lot was hij niet bang. Hij zei: "Ik ben een Romeins burger; ze noemen me Gaius Mucius. Als vijand wilde ik een vijand vellen en niet minder ben ik bereid om te sterven als ik bereid was om te doden. Zowel het doen van dappere daden als het lijdzaam verdragen daarvan is eigen aan een Romein. En ik koester deze gezindheid jegens u niet als enige. Na mij komt een lange rij van Romeinse jongemannen die dezelfde roemrijke daad nastreven. Hiermee zeggen wij u als Romeinse jeugd de oorlog aan. Wees niet bang voor enig gevecht (op het slagveld): ieder uur zal voor u een strijd in uw eentje zijn met elke Romein afzonderlijk."
Tegelijkertijd in woede ontstoken en hevig verschrikt door het gevaar, beval de koning om vuur te brengen en hij dreigde dat hij hem met een brandijzer zou folteren als hij niet de listen en lagen van de anderen zou openbaren. Toen zei Mucius: "Kijk toe, opdat u ziet hoe weinig het lichaam telt voor hen die grote roem (in het verschiet) zien," en hij stak zijn rechterarm in het vuur dat daar toevallig met het oog op een offer aangestoken was. En toen hij die (arm) daar als het ware emotieloos liet verbranden, sprong de koning huiverend uit zijn zetel en beval de jongeman van het altaar te verwijderen: "Ga weg jij, die tegen jezelf meer vijandige dingen hebt durven doen dan tegen mij. Ik zou gelukkig zijn, als die moed ter beschikking van mijn vaderland stond. Nu zend ik je heen van hier als een vrij man." Hierop antwoordde Mucius: "Opdat u als een weldaad van mij datgene ontvangt, wat u niet met bedreigingen kon verkrijgen, zal ik u dit zeggen: als driehonderd vooraanstaanden van de Romeinse jeugd hebben wij onder elkaar gezworen, dat wij jegens u ditzelfde zullen doen. Het eerste lootje was het mijne; de overigen zullen op hun eigen tijd aan de beurt komen."
Gezanten zijn Mucius achterna gegaan. Zozeer was de koning van het (dreigende) gevaar onder de indruk, dat hij uit eigen wil aan de Romeinen vredesvoorwaarden aanbood. Niet langer wilde hij de Tarquinii in het koningschap herstellen. Nadat er gijzelaars ontvangen waren, heeft hij zijn leger van de Janiculum weggeleid en is hij uit het Romeinse grondgebied weggetrokken.
Aan Gaius Mucius en zijn geslacht is vanwege het verlies van zijn rechterhand de bijnaam Scaevola (de Linkshandige) gegeven. De vaderen hebben hem vanwege zijn moed akkerland aan de overzijde van de Tiber ten geschenke gegeven.

Cui bono? Ten gunste van wie? (Cicero Rosc.Am. 30.84)