Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2004: Vita Activa

ovidius tristia 4.10

3.1 Ovidius’ Autobiografie Tristia 4.10
Geboorte en afkomst Tristia 4.10.1-14 (pag. 19)
Ik die zo bekend ben, wat voor iemand ik geweest ben, die speelse dichter van tedere verliefdheden, die u leest, verneem [dat], nageslacht, opdat u het weet (of: opdat u, nageslacht, degene kent die u leest: zie aantekening). Sulmo is mijn vaderland, zeer rijk aan koele stromen, dat negenmaal tien mijl van de stad verwijderd is. 5 Daar (hier) ben ik geboren, en wel, opdat u de tijd (het jaar) weet, toen beide consuls stierven door een gelijk lot: als dat iets te betekenen heeft, vanaf mijn voorvaderen een oude erfgenaam van de [ridder]stand, niet kort geleden ridder geworden dankzij vermogen. En ik was niet de eerste nakomeling; ik ben ter wereld gebracht toen er [al] een broer geboren was, 10 die viermaal drie maanden eerder was gekomen. Dezelfde Morgenster was voor de verjaardagen van ons beiden aanwezig: één dag werd met twee offerkoeken gevierd. Dit is van de vijf feestdagen van de wapendragende Minerva die (dag) welke door gevecht(en) als eerste bloedig pleegt te worden.

Jeugd en adolescentie Tristia 4.10.15-32 (pag. 20)
15 Van jongs af krijgen wij onderwijs, nog heel jong, en door de zorg van onze vader gaan we naar op grond van hun kennis bekende mannen in (van) de stad. Mijn broer neigde vanaf jonge leeftijd tot de welsprekendheid, geboren voor de krachtige wapens van het woordenrijke forum; maar mij behaagden reeds als kind de hemelse heiligheden, 20 en heimelijk trok de Muze [mij] in haar dienst. Dikwijls zei mijn vader: ‘waarom beproef je een nutteloze studie (bezigheid)? Homerus zelf liet geen enkele rijkdom na.’ Ik was geraakt (bewogen) door zijn woorden, en nadat ik de hele Helicon verlaten had probeerde ik woorden los van maten te schrijven. 25 Vanzelf kwam het gedicht in de juiste versmaten, en wat ik probeerde te zeggen was een dichtregel. Intussen, terwijl de jaren met stille tred voortgleden, werd door mijn broer en mij de vrijere toga aangenomen, en werd over onze schouders de tunica met brede purperen rand gehangen, 30 en de bezigheden, die er daarvoor waren, bleven. En reeds had mijn broer tien jaren van zijn leven verdubbeld, toen hij stierf, en ik een deel van mijzelf begon te missen.

Politiek of poëzie Tristia 4.10, 33-40 (pag. 20)
Ik aanvaardde ook de eerste (ere)ambten (het eerste ambt) dat paste bij mijn
jeugdige leeftijd, en eens was ik één deel van drie mannen. 35 Het senaatsgebouw stond [mij] nog te wachten: [maar] de breedte van de rand werd smaller gemaakt; [want] die last was te groot (te zwaar) voor mijn krachten. Noch was mijn lichaam gehard, noch mijn geest geschikt voor het werk, en ik vermeed (was vermijdend) de onrustbrengende ambitie, en de Aonische zusters rieden [mij] aan te streven naar veilige 40 rust, altijd [al] door mij bemind.

Ovidius en zijn collega-dichters Tristia 4.10.41-60 (pag. 21)
Ik vereerde en aanbad de dichters van die tijd, en zoveel dichters als er aanwezig waren, [zoveel] goden dacht ik dat er aanwezig waren. Dikwijls las Macer, ouder van leeftijd [dan ik] mij zijn vogels voor, en welke slang schadelijk is, welke plant helpt (geneeskrachtig is), 45 Propertius was gewoon dikwijls zijn hartstochtelijke liefdesgedichten voor te lezen, vanwege de vriendschap waardoor hij met mij verbonden was. Ponticus, beroemd om zijn episch metrum, Bassus, ook beroemd om zijn jamben, waren dierbare leden van mijn vriendenkring. En Horatius, rijk aan dichtmaten, boeide onze oren, 50 terwijl hij met de Romeinse lier zijn verfijnde liederen begeleidde. Vergilius heb ik slechts gezien: ook aan Tibullus gaf het gierige lot geen tijd voor mijn vriendschap. Hij was de opvolger voor jou, Gallus, Propertius voor hem; in de loop der tijd was ik na hen zelf de vierde. 55 En zoals ik de ouderen, zo vereerden de jongeren mij, en mijn Thalia werd niet langzaam bekend. Toen ik voor het eerst mijn jeugdgedichten aan het volk voorlas, was mijn baard (de baard voor mij) tweemaal of eenmaal geschoren. Zij die bezongen werd door de gehele stad, 60 door mij met een niet echte naam Corinna genoemd, had mijn talent in beweging gezet.

Zelfkritiek Tristia 4.10.61-64 (pag. 21)
Ik heb weliswaar veel geschreven, maar wat ik slecht vond, heb ik zelf aan het vuur (de vuren) gegeven om te verbeteren. Ook toen, toen ik in ballingschap ging, heb ik sommige dingen die in de smaak gevallen zouden zijn, verbrand, boos op mijn streven (hartstocht) en mijn gedichten.

Vrijersvoeten en huwelijksbootjes Tristia 4.10.65-76 (pag. 22)
65 Mijn hart was week en niet onoverwinnelijk voor Cupido’s pijlen, en van dien aard dat een lichte oorzaak het in beroering bracht. Toch, hoewel ik zo was (ook al was ik zo) en door het kleinste vuurtje (de kleinste aanleiding tot verliefdheid) in vlam werd gezet, over mij waren er helemaal geen praatjes. Nog bijna een kind werd mij een vrouw gegeven noch bij mij passend (mij waardig) noch nuttig, 70 die gedurende korte tijd [met mij] getrouwd is geweest. Haar volgde een echtgenote op, die, hoewel van onbesproken gedrag, toch geen blijvende plaats in mijn huwelijk zou hebben. De laatste, die tot in late jaren bij mij is gebleven, verdroeg het echtgenote te zijn van een man in ballingschap. 75 Mijn dochter, tweemaal moeder geworden in haar eerste jeugd (het begin van haar jeugd), maar niet van één echtgenoot, maakte mij tweemaal grootvader.

Het verdriet om Ovidius’ ballingschap blijft zijn ouders bespaard Tristia 4.10.77-92
(pag. 23)
En reeds had mijn vader zijn (levens)lot voltooid en aan negen lustra nog eens (een andere) negen lustra toegevoegd. Ik heb niet anders gehuild dan hij om mij gehuild zou hebben als ik aan hem ontnomen was. 80 Kort daarna droeg ik de as van mijn moeder. Beiden gelukkig en op tijd begraven (gestorven), omdat ze stierven vóór de dag van mijn straf! Ook ik gelukkig, omdat ik niet ongelukkig ben tijdens hun leven, en omdat zij om mij geen enkel verdriet hebben gehad! 85 Als er toch voor de doden iets anders rest behalve [alleen] de namen, en de ijle schim de opgebouwde brandstapel ontvlucht: als, schimmen van mijn ouders, een bericht over mij u bereikt, en mijn misdaad op het forum van de Styx [bekend] is, weet [dan], smeek ik, dat de oorzaak (en het is mij niet geoorloofd u te bedriegen) 90 van mijn bevolen verbanning een vergissing, [maar] geen misdaad is. Voor de doden is dit voldoende; tot u keer ik terug, belangstellende harten (mensen), die op zoek zijn naar de lotgevallen van mijn leven.

Naar Tomi aan de Zwarte Zee Tristia 4.10.93-110 (pag. 24)
Reeds was voor mij de grijsheid gekomen, nadat de betere jaren verdreven waren, en had mijn oude haren ermee vermengd, 95 en na mijn geboorte had, omkranst met een olijfkrans uit Pisa , tienmaal een zegevierende ruiter de prijs behaald, toen de toorn van de gekwetste keizer mij beval de Tomiten op te zoeken (naar de Tomiten te gaan), geplaatst (wonend) aan de linkerkant van de Zwarte Zee. De oorzaak van mijn aan allen maar al te zeer bekende ineenstorting 100 hoeft niet door mijn aanwijzing bekend te worden gemaakt. Waarom moet ik de schanddaad van mijn metgezellen en de dienaren die [mij] benadeelden noemen? Ik droeg (doorstond) vele dingen die niet lichter waren dan de verbanning zelf. Mijn geest achtte het beneden zijn waardigheid te bezwijken aan de rampspoed en betoonde zich onoverwonnen door gebruik te maken van zijn eigen krachten; 105 en mijzelf en mijn in vrije tijd doorgebrachte leven vergetend nam ik met mijn hand die daar niet aan gewend was wapens op die mij door de omstandigheden waren opgelegd. En zoveel lotgevallen (rampspoed) kreeg ik op het land en op zee te verdragen, als er sterren zijn tussen de verborgen en de zichtbare pool. Eindelijk werd door mij, voortgedreven door (langs) lange zwerftochten 110 de Sarmatische kust bereikt, verbonden met (grenzend aan) de met pijlenkokers uitgeruste Geten.

De Muze houdt Ovidius’ op de been Tristia 4.10.111-122 (pag. 25)
Hier verlicht ik, hoewel ik van alle kanten omringd word door het geluid van naburige wapens, mijn treurige lot met een lied, [het enige] waarmee ik [dat] kan. En hoewel er niemand is voor (aan) wiens oren dit kan worden voorgedragen, breng ik toch zo de dag door en misleid hem. 115 Dus dat ik leef en bestand ben tegen de harde inspanningen, en dat niet een afkeer van het onrustbrengende daglicht mij bevangt, heb ik, Muze, aan u te danken: want u verschaft troost, u komt als rust van mijn zorg, als geneesmiddel. U bent mijn leidsvrouw en metgezel, u leidt mij weg van de Donau, 120 en u geeft mij een plaats midden op de Helicon; u gaf mij, wat zeldzaam is, tijdens mijn leven (levend) een verheven naam, die de roem gewoonlijk na de dood geeft.

Ovidius’ trots als dichter Tristia 4.10, 123-132 (pag. 25)
En niet heeft Afgunst, die aanwezige dingen (dingen van het heden) naar beneden haalt, ook maar één werk van mijn werken met onrechtvaardige tand gebeten. 125 Want hoewel onze tijd grote dichters heeft voortgebracht, [toch] was de roem niet kwaadaardig jegens mijn talent, en hoewel ik velen boven mij verkies, word ik [toch] niet kleiner genoemd dan zij en in de hele wereld word ik zeer veel gelezen. Als dus de voorspellingen van de zieners iets van waarheid bevatten, 130 [dan] zal ik, ook al sterf ik nu direct, niet van u (in uw bezit) zijn, aarde. Hetzij ik deze roem heb behaald door [uw] gunst, hetzij door mijn poëzie, met recht dank ik, welwillende lezer, u.