Argo > 0 - help aub opruimen
Peripeteia Euripides Bacchae Thema 9 bovenbouw Alle teksten
HOOFDSTUK 2 – HET EERSTE EPEISODIONA. Pentheus heeft maenaden gevangen genomen (215-232)
215 Pentheus: Toen ik in het buitenland was, kwam ik in dit land (hier) aan en ik verneem/vernam on-verwachte/ongewone ellende (verspreid) in deze stad, (namelijk) dat onze vrouwen hun huizen hebben verlaten voor zogenaamde Bacchusfeesten, en in de schaduwrijke bergen ronddolen, 220 terwijl ze de nieuwbakken godheid Dionysus, wie hij ook is, met (rei)dansen vereren, en dat ze volle mengvaten midden in de thiasoi opstellen, en dat ze, terwijl ze één voor één naar een eenzame plek wegsluipen, zich onderwerpen aan de wellust van de mannen, zogenaamd als offers brengende maenaden, 225 maar dat ze in werkelijkheid Aphrodite boven Bacchus verkiezen. Alle vrouwen nu die ik heb opge-pakt/gevangen genomen, houden bewakers vast in de staatsgevangenis, geboeid wat betreft hun han-den/met geboeide handen; maar allen die (hier) afwezig zijn, zal ik uit het gebergte verjagen. [Ino en Agaue, die mij voor Echion ter wereld bracht, 230 en de moeder van Actaeon, ik bedoel Autonoe,] en wanneer ik hen in ijzeren netten heb vastgezet, zal ik hen snel doen ophouden met dit misdadige Bac-chusfeest.
B. Een eigenaardige vreemdeling (233-247)
(P.) Ze zeggen dat een of andere vreemdeling (naar de stad) is gekomen, een bezwerende tovenaar/ een tovenaar, een bezweerder uit het Lydische land, 235 met blonde haarlokken lekker geurend wat betreft zijn haar, blozend, met in zijn beide ogen de charmes van Aphrodite, die dagen en nachten ver-keert met meisjes, terwijl hij (hun) de bacchische rituelen voorspiegelt. Als ik hem in dit land hier te pakken zal krijgen, 240 zal ik hem laten ophouden met het laten dreunen van de thyrsosstaf en het omhooggooien van zijn haren, nadat ik zijn hals van zijn lichaam heb afgesneden. Die figuur zegt/beweert dat hij de god Dionysus is, die (zegt) dat hij eens in het dijbeen van Zeus is vastgenaaid; hij die door de bliksemflitsen volledig werd verbrand 245 samen met zijn moeder, omdat ze over haar huwelijk/verhouding met Zeus had gelogen. Zijn deze verschrikkelijke dingen niet ook een strop waard/zijn de dingen niet verschrikkelijk en een strop waard, (daden van) overmoed/hybris plegen, wie de vreemdeling ook is?
C. Pentheus maakt Tiresias verwijten (248-265)
(P.) Maar dit is een ander wonder: ik zie de voorspeller Tiresias in gespikkelde hertenvellen en 250 de vader van mijn moeder, veel gelach/heel lachwekkend, met een thyrsosstaf in bacchische vervoering verkeren; ik schaam me ervoor, vader, te zien dat jullie ouderdom geen verstand heeft/zonder verstand is. Je moet de klimop afschudden. En je moet je hand vrijmaken van de thyrsos, vader van mijn moe-der. 255 Jij hebt hem hiertoe overgehaald, Tiresias; jij wil op jouw beurt, door deze nieuwe godheid bij de mensen in te voeren, vogels waarnemen en loon van brandoffers op strijken. Als de grijze ouder-dom je niet beschermde, zou je geboeid te midden van de bacchanten zitten, 260 omdat je slechte ri-tuelen introduceert; want waar er voor vrouwen tijdens de maaltijd het flonkerend sap van de druiven-tros is, zeg ik dat er niets gezonds meer is van/in hun riten.
Koor: Wat een godslastering. Vreemdeling, heb je geen ontzag voor de goden en voor Cadmus, die het uit de aarde geboren kroost heeft voortgebracht, en jij, 265 zijnde/als zoon van Echion, zul je je ge-slacht/afkomst niet te schande maken?
HOOFDSTUK 3 – HET TWEEDE EPEISODION
B. Pentheus begint zijn gevangene te ondervragen (451-476)
Pentheus: Laat zijn handen los; want, terwijl hij in de jachtnetten is, is hij niet zo snel dat hij aan mij ontsnapt. Maar wat betreft je lichaam ben jij niet lelijk, vreemdeling, althans naar de smaak van vrouwen, juist met het oog waarop je in Thebe komt; je hebt met opzet een witte huid, omdat je niete in de stralen van de zon, maar onder de schaduw met je schoonheid op Aphrodite jaagt. Zeg mij dan eerst wie je bent wat betreft je afkomst.
Dionysus: Ik zal geen moment aarzelen, en/want dit is makkelijk te zeggen. Je kent denk ik de bloemrij-ke Tmolus van horen zeggen.
P.: Ik ken hem, die de stad Sardes in een cirkel/rondom omgeeft.
D.: Daarvandaan ben ik, en Lydië is mijn vaderland.
465 P.: Hoe komt het dat je deze riten naar Griekenland brengt? (óf: waarvandaan breng jij deze riten naar Griekenland)
D.: Dionysus zelf heeft mij ingewijd, de zoon van Zeus. (óf: Dionysus zelf heeft mij naar Griekenland gebracht)
P.: Is er daar (dan) een of andere Zeus die nieuwe goden voortbrengt?
D.: Nee, maar degene die hier Semele heeft getrouwd.
P.: Heeft hij jou ’s nachts zijn wil opgelegd of oog in oog?
470 D.: Terwijl hij mij zag (en), terwijl ik hem zag/Oog in oog, en hij gaf de riten.
P.: Welke aard hebben de riten voor jou/in jouw ogen?
D.: Ze zijn geheim voor (de) niet ingewijden van de stervelingen om te weten.
P.: Welk nut hebben zij voor degenen die offeren?
D.: Het is niet geoorloofd dat jij dit hoort, maar het is waard dat te weten.
475 P.: Dit heb je goed verzonnen, opdat ik het wil horen.
D.: De riten van de god haten degene die (er) geen respect (voor) heeft.
C. Dionysus maakt Pentheus nieuwsgierig (477-488)
P.: De god, aangezien je zegt (hem) duidelijk te zien, wat voor iemand was hij?
D.: Zoals hij wilde; ik maakte dat niet uit.
P.: Hier heb je je weer van afgemaakt, terwijl je goed spreekt zonder iets te zeggen.
480 D.: Wanneer iemand aan een dwaas wijze woorden zegt, zal hij niet verstandig/niet goed bij zijn verstand lijken.
P.: Ben je het eerst hier gekomen terwijl je die god meeneemt/met die god?
D.: Ieder van de niet-Grieken danst deze riten.
P.: Dat is begrijpelijk, want ze zijn veel dommer dan de Grieken.
D.: In dit opzicht zijn ze juist veel verstandiger; hun gewoontes zijn verschillend.
485 P.: Vier je de plechtigheden ’s nachts of overdag?
D.: De meesten/meestal ’s nachts; duisternis heeft eerbied.
P.: Dit is, waar het om vrouwen gaat, bedrieglijk en verderfelijk.
D.: Ook overdag zou iemand schandelijk gedrag kunnen aantreffen.
D. Pentheus wil Dionysus in de boeien slaan (489-508)
P.: Jij moet gestraft worden voor je slechte slimmigheden.
490 D.: Jij voor je onwetendheid en omdat je geen respect hebt voor de god.
P.: Wat onverschrokken is de bacchiër en niet ongeoefend in woorden.
D.: Zeg wat ik moet ondergaan. Wat is het verschrikkelijke dat je me gaat aandoen?
P.: Eerst zal ik jouw fijne haar afsnijden.
D.: Mijn haar is heilig; ik laat het groeien voor de god.
495 P.: Vervolgens moet je deze thyrsosstaf uit handen geven.
D.: Pak hem zelf van me af; ik draag deze (staf) voor Dionysus.
P.: Wij zullen jouw lichaam/jou binnen in de gevangenis bewaken.
D.: De god zelf zal mij losmaken, wanneer ik (dat) wil.
P.: Zeker wanneer je hem zult roepen, wanneer je tussen de bacchanten bent geplaatst/neergezet.
500 D.: Ook nu ziet hij wat ik lijd, terwijl hij dichtbij aanwezig is.
P.: En waar is hij? Want hij is niet zichtbaar/duidelijk, althans voor mijn ogen.
D.: Bij mij; omdat je zelf goddeloos bent, zie je (hem) niet.
P.: Grijpt hem vast; hij minacht mij en Thebe.
D.: Ik, als verstandige, verbied dwazen mij te boeien.
505 P.: Ik beveel jou te boeien, (ik) machtiger dan jij.
D.: Je weet niet wat voor leven je leidt (?), en niet wat je doet, en ook niet wie je bent.
P.: Ik ben Pentheus, zoon van Agaue en van vader Echion.
D.: Je bent wat betreft je naam geschikt om ongelukkig te zijn.
E. Pentheus doet de god onrecht aan (509-518)
P.: Ga; sluit hem op in de buurt van de paardenstallen 510, opdat hij donkere duisternis ziet. Dans daar; deze medewerksters van het kwaad, met wie jij hier bent, zullen we of verkopen of wanneer ik hun hand(en) heb laten stoppen met dit geroffel en trommelgebons, zal ik ze als slavinnen aan de weefge-touwen bezitten.
515 D.: Ik sta klaar om te gaan; want wat mij niet is voorbestemd te ondergaan, moet ik zeker niet on-dergaan. Maar weet wel, als straf voor deze overmoedige daden zal Dionysus jou achtervolgen, van wie jij zegt dat hij niet bestaat; want ons voer jij naar de boeien/gevangenis, terwijl je hém onrecht aan-doet.
HOOFDSTUK 4 – HET DERDE EPEISODION
B. Brute taal van Pentheus (775-791)
775 Koor: Ik aarzel mijn woorden vrijuit tegen de heerser te zeggen, maar toch zal het eens en voor altijd gezegd zijn: Dionysus doet voor niemand van de goden onder.
Pentheus: Dit overmoedig gedrag van de bacchanten grijpt al dichtbij als vuur om zich heen, een grote schande voor/in de ogen van de Grieken. 780 Maar ik moet niet aarzelen; ga naar de Electra-poort; beveel alle schilddragers en ruiters van snelvoetige paarden aan te treden, en allen die kleine schilden zwaaien en (allen die) met hun hand de pezen van bogen spannen, omdat we zullen optrekken tegen 785 de bacchanten; want dit gaat werkelijk alle perken te buiten, als wij van de kant van vrouwen zullen ondergaan wat wij ondergaan.
Dionysus: Je gehoorzaamt helemaal niet, terwijl je naar het verhaal over mij luistert, Pentheus; hoewel ik kwaad verduur van jou, zeg ik toch dat je niet de wapens moet opnemen tegen een god, 790 maar rustig moet blijven; Bromios zal het niet verdragen dat je de bacchanten wegjaagt uit de bergen (ge-vuld) met de euoi-kreten.
C. Een onmogelijke vreemdeling (792-809)
P.: Je gaat me toch zeker geen advies geven/niet terecht wijzen, maar wil je na gevlucht te zijn, hoewel je geboeid bent (óf: aan je boeien ontsnapt), deze vrijheid behouden? Of anders zal ik je weer straffen.
D.: Ik zou aan hem liever offeren dan, boos geworden, 795, mij zinloos verzetten als mens (zijnde) te-gen een god.
P.: Ik zal offeren, wanneer ik veel moord onder vrouwen heb aangericht, zoals ze dat verdienen, in de dalen van de Cithaeron.
D.: Jullie zullen allen op de vlucht gedreven worden; en dit is schandelijk dat de bacchanten met hun thysosstaven uit brons gedreven schilden op de vlucht jagen.
800 P.: Wij zijn verstrikt geraakt met deze onmogelijke vreemdeling, die onder geen enkele omstandig-heid zal zwijgen.
D.: Beste vriend, het is nog mogelijk dit goed te regelen.
P.: Door wat te doen? Door slaaf te zijn van mijn slaven?
D.: Ik zal de vrouwen hier brengen zonder wapens (te gebruiken).
805 P.: Ach; dit verzin je nu listig tegen mij.
D.: Wat voor iets listigs/list, als ik je met mijn methodes wil redden?
P.: Jullie hebben dit gemeenschappelijk afgesproken om altijd het Bacchusfeest te vieren.
D.: Inderdaad heb ik dit afgesproken – weet dat - met de god.
P.: Brengt me de wapens naar buiten, en jij moet ophouden met praten.
D. Pentheus komt in de ban van de god (810-825)
810 D.: Wacht eens even;
wil jij hen zien zitten in de bergen?
P.: Zeer zeker, na een zeer groot gewicht aan goud te hebben gegeven/voor heel veel goud.
D.: Waarom ben je in een groot verlangen hiernaar terechtgekomen?
P.: Ik zou het wel erg vinden als ik hen stomdronken zou zien.
815 D.: Kun je dan toch tot je genoegen zien wat voor jou onaangenaam is?
P.: Weet duidelijk (dat ik dit wil), zwijgend zittend onder (de) dennen.
D.: Maar ze zullen je opsporen, ook al zul je ongemerkt gekomen zijn.
P.: Goed, dan maar openlijk; want je hebt dit goed gezegd/je hebt gelijk.
D.: Moeten we jou dan brengen en zul je de tocht ondernemen?
820 P.: Breng me zo snel mogelijk; ik misgun jou uitstel.
D.: Trek nu om je lichaam fijn linnen kleding aan.
P.: Wat is dat? Zal ik in plaats van een man tot vrouwen gerekend worden?
D.: Opdat ze je niet doden, als je als man daar gezien bent.
P.: Je hebt dit weer goed gezegd; wat een wijs iemand ben je al die tijd.
825 D.: Dionysus heeft ons/mij dit goed geleerd.
E. Pentheus wil weten wat hij moet doen (826-846)
P.: Hoe zou dit dan kunnen gerealiseerd worden wat jij me goed adviseert?
D.: Ik zal je aankleden, nadat ik in het paleis ben gegaan.
P.: Welke kleding? Soms vrouwen(kleding)? Maar schaamte bevangt me.
D.: Ben je niet meer een bereidwillige/enthousiaste toeschouwer van de maenaden?
830 P.: Welke kleding zeg je om mijn lichaam te gooien/doen?
D.: Ik zal je haar op je hoofd langgolvend laten hangen.
P. Wat is het tweede kenmerk van mijn uitrusting?
D.: Een tot op de voet hangend gewaad; en op je hoofd zal een haarband zijn.
P.: Zal je daarbij ook nog iets anders aan mij toevoegen?
835 D.: In je hand een thyrsosstaf en een gevlekte hertenhuid.
P.: Ik zou geen vrouwenkleding kunnen aantrekken.
D.: Maar je zult een bloedbad veroorzaken wanneer je slaags bent geraakt met de bacchanten.
P.: Juist/je hebt gelijk; ik moet eerst op onderzoek gaan.
D.: Dat is inderdaad verstandiger dan met kwaad jacht maken op kwaad.
840 P.: En hoe zal ik door de stad gaan zonder dat de Thebanen dat merken/onopgemerkt voor de Thebanen?
D.: Wij zullen langs verlaten straten gaan; ik zal je leiden.
P.: Alles is beter dan dat de bacchanten mij uitlachen.
D.: Wanneer we het huis in gegaan zijn….
P.: . . . zal ik overleggen wat mij goed toeschijnt.
D.: Dat is mogelijk. In ieder geval, op mij kun je rekenen en ik sta klaar.
845 P.: Dan ga ik maar naar binnen. Want ik zal ofwel met wapens gaan, ofwel zal ik jouw raadgevingen opvolgen/gehoorzamen.
F. Dionysus vertelt de afloop (847-861)
D.: Vrouwen, de man komt in het net terecht en hij zal naar de bacchanten gaan, waarvoor/waar hij door te sterven/met zijn dood gestraft zal worden. Dionysus, nu is het jouw beurt; want je bent niet ver weg; 850 laten wij hem straffen. Breng hem eerst buiten zinnen, na een lichte waanzin te hebben op-gewekt; immers, bij zijn volle verstand zal hij zeker geen vrouwenkleding willen aantrekken, maar terwijl hij buiten zinnen geraakt, zal hij die (wel) aantrekken. Ik wil dat hij zich in de ogen van de Thebanen be-lachelijk maakt, 855 wanneer hij in vrouwengedaante door de stad wordt geleid, na zijn vroegere drei-gementen, waarmee hij geducht/brutaal was. Maar ik zal gaan om aan Pentheus de uitrusting vast te maken, waarmee hij naar het huis van Hades weg zal gaan, na door de handen van zijn moeder te zijn afgeslacht; hij zal de zoon van Zeus, 860 Dionysus, leren kennen, dat hij op zijn beurt de geduchtste én vriendelijkste god is voor de mensen.
HOOFDSTUK 7 – EXODOS
A. Agaue is trots op haar buit (1200-1215)
1200 Koor: Toon nu, ongelukkige, je overwinning brengende jachtbuit aan de burgers, waarmee je bent gekomen.
Agaue: O jullie die de stad met mooie torens van/in het Thebaanse land bewonen, komt opdat jullie de-ze jachtbuit hier zien, die wij, dochters van Cadmus, bestaande uit een wild dier hebben gevangen, 1205 niet met speren voorzien van een werpriem van de Thessaliërs, niet met netten, maar met (de kracht van) blanke handen. En moet men vervolgens (nog) de speer slingeren en vergeefs wapens van lansenmakers aanschaffen? Wij hebben deze hier althans met de hand zelf/met blote handen gevan-gen en de ledematen van het dier in stukken uiteengerukt. Waar is mijn oude vader? Hij moet dichtbij komen. Pentheus mijn zoon waar is hij? Hij moet, nadat hij de treden van een stevige ladder gepakt heeft, deze tegen het huis plaatsen, opdat hij dit hoofd hier 1215 van een leeuw waarmee ik, na het buitgemaakt te hebben, hier nu aanwezig ben, aan de trigliefen vastspijkert.
B. Cadmus ziet Agaue (1216-1232)
Cadmus: Volgt mij die de ongelukkige last van Pentheus dragen, volgt (mij), dienaren, vóór het huis, van wie ik dit lichaam hier, mij vermoeiend met het talloze zoeken, breng, nadat ik hem gevonden heb in de dalen van de Cithaeron, 1220 verscheurd, en niets op hetzelfde deel van de plaats [na gepakt te hebben, terwijl hij lag in het moeilijk te doorzoeken bos]. Want ik heb van iemand gehoord over de af-schuwelijke daden van mijn dochters, nadat ik al in de stad binnen de stadsmuren gekomen was sa-men met de oude Tiresias, van de bacchanten vandaan; 1225 na weer omgekeerd te zijn naar het ge-bergte, draag ik bij mij mijn zoon, gestorven door (toedoen van) de maenaden. En ik zag Autonoë, die eens Actaeon voor Aristaeus heeft gebaard, en tegelijkertijd Ino, nog in het kreupelhout, door waanzin getroffen ongelukkige (vrouwen), maar 1230 iemand zei mij dat zij/de andere hierheen komt met bac-chische voet, Agaue, en we waren niet fout geïnformeerd; want ik zie haar, een niet gelukkige aanblik.
C. Cadmus moet ook trots zijn op haar jachtbuit (1233-1250)
A.: Vader, het is voor u mogelijk/u kunt er het meest trots op zijn verreweg de beste dochters van alle stervelingen te hebben voortgebracht; 1235 alle (dochters) bedoelde ik, maar in het bijzonder mij, die, nadat ik de weverspoelen bij de weefgetouwen verlaten had, tot grotere prestaties ben gekomen, (na-melijk) jacht maken op wilde dieren met mijn beide handen. Ik draag in mijn armen, zoals u ziet, deze prijs voor dapperheid, nadat ik die te pakken heb gekregen, 1240 opdat het aan uw huis/paleis wordt opgehangen; u, vader, ontvang het in uw armen, en trots op mijn jachtbuit roep/moet u uw vrienden voor de maaltijd roepen/uitnodigen; want u bent zeer gelukkig, zeer gelukkig, omdat wij dergelijke din-gen hebben verricht.
C.: [O niet meetbaar verdriet en onmogelijk om (aan) te zien, 1245 omdat jullie een moord hebben ver-richt met jullie ongelukkige handen.] Nadat jij een ‘mooi’ offer hebt gebracht voor de goden, nodig jij dit Thebe hier en mij uit voor de maaltijd. Arme ik, ten eerste om jouw ellende, vervolgens om de mijne; hoe heeft de god ons (weliswaar) terecht, maar al te erg, te gronde gericht, 1250 de heerser Bromios, tot onze eigen familie behorend.
D. Waar is Pentheus? (1251-1262)
A.: Hoe lastig is de ouderdom voor mensen en somber met zijn ogen/in de ogen van mensen. Moge mijn zoon gelukkig in de jacht zijn, lijkend op de manieren van zijn moeder, wanneer hij tegelijk met (?) de Thebaanse jongemannen 1255 jacht maakt op wilde dieren; maar hij is slechts in staat met de go-den te vechten. Hij moet door jou gewaarschuwd worden, vader. Wie zou hem hierheen kunnen roe-pen naar mijn aanblik, opdat hij mij, de gelukkige/succesvolle, ziet?
C.: Ach, ach: wanneer jullie ingezien hebben al wat jullie hebben gedaan, 1260 zullen jullie een ver-schrikkelijke pijn ervaren; als jullie voortdurend in deze toestand altijd zullen blijven waarin jullie terecht zijn gekomen, zullen jullie, ook al zijn jullie niet gelukkig, menen niet ongelukkig te zijn.
E. Agaue komt bij zinnen (1263-1279)
A.: Wat is hiervan niet goed of wat is verdrietig?
C.: Richt ten eerste je oog op deze lucht.
1265 A.: Kijk; waarom hebt u me aangeraden hiernaar te kijken?
C.: Schijnt hij jou nog dezelfde te zijn of veranderingen te ondergaan?
A.: Hij is helderder dan vroeger en stralender.
C.: Is deze verbijstering nog aanwezig in je geest?
A.: Ik ken dat woord niet; ik word/kom enigszins 1270 bij zinnen, nadat ik veranderd ben van mijn vroe-gere geestelijke toestand.
C.: Zou je dan iets kunnen horen en duidelijk antwoorden?
A.: Nu wel, maar ik ben geheel vergeten wat wij vroeger/hiervoor zeiden, vader.
C.: In wat voor huis ben je gekomen met je huwelijk?
A.: U gaf me aan de Gezaaide, zoals ze zeggen, aan Echion.
1275 C.: Welke zoon nu werd er in het huis geboren voor je echtgenoot?
A.: Pentheus, door de gemeenschap van mij én zijn vader.
C.: Wiens gezicht/hoofd heb je dan toch in je armen?
A.: Van een leeuw, zoals althans de vrouwen die jaagden beweerden.
C.; Kijk nu goed; het is een korte/kleine moeite om (hem) aan te kijken.
F. Dionysus heeft ons te gronde gericht (1280-1300)
1280 A.: Hé, wat zie ik? Wat is dit dat ik in mijn beide handen met me meedraag?
C.: Bekijk het goed en begrijp het duidelijker/beter.
A.: Ik ongelukkige zie het grootste verdriet.
C.: Het schijnt jou toch niet (toe) te lijken op een leeuw?
A.: Nee, maar ik ongelukkige heb/houd vast het hoofd van Pentheus.
1285 C.: (Door mij) eerder bejammerd dan dat jij het herkent.
A.: Wie heeft hem gedood? Hoe is hij in mijn armen gekomen?
C.: Bittere waarheid, hoe ben je op een zeer slecht moment aanwezig/gekomen.
A.: Zeg het, aangezien mijn hart bonst van angst over wat gaat komen/de toekomst.
C.: Jij hebt hem gedood en je zusters.
1290 A.: Waar is hij omgekomen? In het huis, of op wat voor plaats?
C.: Daar waar vroeger de honden Actaeon hebben verscheurd.
A.: Waarom kwam deze ongelukkige naar de Cithaeron?
C.: Hij bespotte de god en jouw Bacchusfeesten door (daar naartoe) te gaan.
A.: Op welke wijze zijn wij daarginds beland?
1295 C.: Jullie waren in extase, en de hele stad werd in bacchische vervoering gebracht.
A.: Dionysus heeft ons te gronde gericht, begrijp ik zojuist.
C.: Omdat hij smadelijk beledigd is; want jullie beschouwden hem niet als god.
A.: Waar is het liefste lichaam van mijn zoon, vader?
C.: Ik breng het hier, nadat ik het met moeite heb bijeengezocht.
1300 A.: Is het helemaal goed met de ledematen/in de gewrichten samengevoegd?

