Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 2

Hoofdstuk 27, tekst B: De Spartanen voor de strijd

Xerxes zond een ruiter als verkenner naar de legerplaats van de Grieken om te zien met hoe velen zij waren. Toen de ruiter was gearriveerd, bekeek hij niet de gehele legerplaats, maar verkende hij slechts de soldaten die buiten waren, wier wapens vr de muur lagen; toevallig waren er Spartanen buiten opgesteld. Van hen zag hij sommigen (die) (aan het) trainen (waren) en anderen (die) hun haren (aan het) kammen (waren). Toen hij dit aan het bekijken was, verwonderde hij zich en nam het aantal op. Toen hij alles nauwkeurig had opgenomen, reed hij in alle rust terug: want niemand achtervolgde hem. Toen hij teruggekeerd was, maakt hij Xerxes duidelijk alles wat hij had gezien. Op Xerxes kwam het over dat de Spartanen werkelijk belachelijke dingen deden en hij ontbood Demaratos, een Spartaan, die samen met hem de veldtocht tegen Griekenland ondernam. Toen deze arriveerde vroeg Xerxes hem ieder ding. En Demaratos zei: "Ook eerder, toen wij ons in beweging zetten tegen Griekenland, hebt u mij gehoord over deze mannen: toen lachte u mij uit. Maar luister toch ook mij naar de waarheid: die mannen staan op het punt tegen ons te strijden om de toegang (tot de pas), en dat zijn ze aan het voorbereiden. Zij hebben namelijk deze gewoonte: als zij op het punt staan hun leven te riskeren, (dan) versieren zij hun hoofden. Weet dit: als u hen en diegenen die in Sparta zijn achtergebleven overwint, (dan) is er geen enkel ander volk van mensen, dat zich tegen u, koning, durft te verzetten. Want nu staat u op het punt tegen mannen te strijden die de besten zijn onder de Grieken."