Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2004: Vita Activa

Hoofdstuk 6-2, Tekst F: De mensen moeten de aarde beschermen en hebben een eeuwige ziel (15)

En zodra als ik, na mijn geween onderdrukt te hebben, begon te kunnen / in staat te zijn te spreken, zei ik: ‘Ik vraag u, zeer heilige en voortreffelijke vader, omdat dit het leven is, zoals ik Africanus hoor zeggen, wat / waarom talm / verblijf ik op aarde? Waarom haast ik me niet hierheen, naar u, te komen?’ ‘Zo is het niet’, sprak hij. ‘Want behalve wanneer die godheid, van wie deze gehele gewijde ruimte is die je ziet, die aarde wordt genoemd, en aan hen is een ziel gegeven uit die eeuwige vuren die jullie sterren en gesternten noemen, die bolvormig en rond, bezield met goddelijke geest(en), hun cirkels / cirkel-vormige banen en kringlopen voltooien met een wonderbaarlijke snelheid. Daarom moet ook jij, Publius, en alle plichtsgetrouwen hun ziel bewaren in gevangenschap van het lichaam en niet zonder bevel van hem, door wie deze aan jullie is gegeven, uit het leven der mensen wegtrekken, opdat jullie niet schijnen / de indruk wekken je aan de menselijke taak, die (jullie) toegewezen is door de godheid, te hebben onttrokken.