Tekst 51: Vulgata
Categorie: Boek > SPQR > Versie 2
19 Toen hij nog ver was, zag zijn eigen vader hem en is hij bewogen/geraakt door 20 medelijden en toen hij naar hem toe rende viel hij om zijn hals en heeft hij hem gekust. En zijn zoon zei tegen hem: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen jou: ik ben het al niet meer waard je zoon genoemd te worden’. Maar zijn vader zei 25 tegen zijn slaven: ‘Haal(t) snel de beste kleding tevoorschijn en geef(t) een ring om zijn hand en sandalen aan zijn voeten en breng(t) het vetgemeste kalf en dood(t) het en laten we eten (coni in hoofdzin) en laten we feestvieren, omdat deze zoon van mij dood was en weer levend is geworden: hij was omgekomen/verloren, en hij is teruggevonden’. En ze begonnen feest te vieren.
30 Maar zijn oudere/oudste zoon was op de akker: en toen hij kwam en het huis naderde, hoorde hij muziek en zang en hij riep een van de slaven en hij vroeg hem, wat deze dingen waren. En deze zei hem: ‘Uw broer is gekomen en uw vader heeft het vetgemeste kalf gedood, omdat hij hem ongedeerd heeft ontvangen’.
35 Maar hij was verontwaardigd en wilde niet binnengaan. Dus toen zijn vader naar buiten was gegaan, begon hij hem te vragen. Maar hij zei antwoordend tegen zijn vader: ‘Kijk, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw opdracht genegeerd: en nooit
40 gaf u aan mij een geitenbokje om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nadat deze zoon hier van u, die zijn vermogen heeft verkwist met hoeren, kwam, heeft u voor hem het vetgemeste kalf gedood’. Maar zelf zei hij aan hem: ‘Mijn zoon, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou: maar het behoorde dat we feestvieren en blij zijn, omdat jouw broer hier gestorven was en weer tot leven kwam: hij was 45 omgekomen/verloren en is teruggevonden.