Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Via Nova > Boek 4

Hoofdstuk 8 (Seneca), epistula 41: Seneca groet zijn Lucilius

1. Je doet een zeer goede en voor jou heilzame zaak als, zoals je schrijft, je volhardt te gaan naar een goede geest(instelling), waarvan het dom is deze te wensen wanneer je die van jezelf gedaan kunt krijgen. Handen moeten (hoeven) niet naar de hemel opgetild (te) worden en de tempelwachter moet (hoeft) niet (te) worden gesmeekt dat hij ons toelaat tot het voor van het beeld, alsof wij beter gehoor kunnen vinden: god is toch bij je, hij is met je, hij is binnenin (je).
2. Zo zeg ik (het), Lucilius: een heilige geest zit in ons, waarnemer en bewaker van onze slechte en goede dingen; al naar gelang hij door ons in behandeld, zo behandelt hij zelf ons. Een goede man echter is niemand zonder goed: of kan iemand boven zijn lot uitstijgen, tenzij (hij) door hem geholpen (is)? Hij geeft prachtige en verheven adviezen. In ieder van de goede mensen woont een goed [het is onzeker welke god].
3. Als jou een woud voor ogen komt met oude bomen en (bomen) die boven de normale hoogte uitgegroeid zijn en wegnemend (die wegneemt) de aanblik op de hemel door de dichtheid van takken elkaar bedekkend (die elkaar bedekken), dal zal die hoogte van het bos en de afgezonderdheid van de plaats en de verwondering over de schaduw zo dicht en ononderbroken in een open ruimte bij jou het geloof van (in) een goddelijke macht veroorzaken. Als een grot met uitgevreten rotsen (waarbij de rotsen helemaal zijn uitgevreten) een berg laat hangen, niet met de hand gemaakt, maar door natuurlijke oorzaken tot zo'n grote ruimte uitgehold, zal (dit) jouw geest treffen met een godsbesef. Wij vereren de bronnen van grote rivieren; een plotselinge uitbarsting uit het verborgene van een enorme rivier heeft altaren; bronnen van hete wateren worden vereerd, en schaduwrijkheid of een onmetelijke diepte heeft sommige poelen heilig gemaakt.
4. Als jij een mens zal hebben gezien, onverschrokken in gevaren, niet aangeraakt door verlangens, gelukkig in tegenspoed, midden in stormen kalm, vanuit een hogere plaats de mensen bekijkend vanuit een gelijke plaats de goeden, zal dan geen verering voor hem bij je opkomen? Zal je niet zeggen: 'Die zaak is groter en hoger dan dat men kan denken dat deze gelijk is aan dit nietige lichaam waarin het is?'
5. Een goddelijke kracht is in het nietige lichaam afgedaald; een hemelse macht wekt de geest op (die) uitstekend (is), evenwichtig, aan alles voorbijgaand als minder belangrijk, lachend om al wat we vrezen en wensen. Zo'n grote zaak kan niet zonder de steun van een goddelijke macht (be)staan; dus is hij met het grotere deel van zichzelf daar vanwaar hij is afgedaald. Zoals de stralen van de zon de aarde weliswaar aanraken, maar daar zij vanwaar ze gezonden worden, zo gaat de geest, groot en heilig en in dat (nietig lichaam) omlaag gezonden, opdat wij de goddelijk dingen van meer nabij leerden kennen, weliswaar met ons om, maar blijft hij vastzitten aan zijn (eigen) oorsprong; daarvandaan hangt hij (af), daarheen kijkt hij en streeft hij en neemt hij deel als een beter wezen aan onze wereld.
6. Wat is dus deze geeft? Die schittert door geen enkel goed behalve door zijn eigen (goed). Wat immers is dommer dan in een mens het vreemde te prijzen? Wat is dwazer dan hij die die dingen bewondert die meteen op een ander overgebracht kunnen worden? Gouden teugels maken geen beter paard, Op de ene wijze (nl.) wordt een leeuw met verhulde manen de arena ingestuurd, terwijl hij wordt aangetast en wordt gedwongen, nadat hij is afgemat, om het ontvangen van versiering te verdragen, op de andere wijze (nl.) de ongetemde (leeuw), van (met) een ongerepte geest: deze natuurlijk wild door de aanval, zoals de natuur heeft gewild dat hij is, prachtig door et huiveringwekkende, waarvan dit de pracht is om niet zonder vrees te worden bekeken, wordt verkozen boven die slome en met bladgoud versierd (leeuw).
7. Niemand moet zich beroemen behalve op het zijne (dat wat van hem is), Wij prijzen de wijnstok als hij de wijnranken overlaadt met vrucht(en), als hij de steunen zelf naar de aarde doet neerbuigen door het gewicht van dat wat hij droeg: niemand zou doven deze wijnstok toch die verkiezen waaraan gouden druiven, gouden bladeren naar beneden hangen? De eigen deugd (waarde) in de wijnstok is de vruchtbaarheid; in de mens moet ook dat geprezen worden wat van hemzelf is. Hij geeft een prachtig huishouden en een mooi huis hij zaait veel, hij leent veel tegen rente uit niets van deze dingen is in hemzelf maar rondom hemzelf.
8. Prijs in hem wat niet ontnomen en niet gegeven kan worden, (maar) wat eigen in aan de mens. Je vraagt wat dat is? Een geest en rede in een volmaakte geest. De mens in immers met een met rede begiftigd wezen; het goede van hem wordt zo vervolmaakt, als hij dat geeft vervuld waarvoor hij wordt geboren. Wat is het echter wat die rede van hem eist? Een zeer gemakkelijke zaak: leven volgens de natuur. Maar algemene waanzin maakt dit moeilijk: wij duwen elkaar in onze tekortkomingen (de fout in). Hoe echter kunnen zij teruggeroepen worden tot behoud die niemand terugroet, en die het volk voortdrijft? Gegroet.