Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Via Nova > Boek 4

Hoofdstuk 4 (Vergilius), tekst: Het houten paard naar de burcht van Troje (228-245)

Dan werkelijk dringt bij allen in de geschokte harten een nieuwe angst binnen, en ze zeggen dat Laocoon verdiend heeft geboet voor zijn misdaad, hij die het gewijde eikenhout met de speerpunt heeft gekwetst en de misdadige speer naar de rug heeft geslingerd. Samen schreeuwen ze dat het beeld naar de woonplaats (van de godin) moet worden gebracht en dat de (goddelijke) macht moet worden aanbeden. We scheiden de muren en leggen de (verdedigings)muren van de stad open. Allen maken zich gereed voor het werk en brengen rollende wielen voor de voeten (van het paard) aan, en boeien van hennep maken ze vast aan de hals; het noodlottige bouwwerk beklimt de muren, gevuld met wapens. Rondom zingen jongens en ongehuwde meisjes heilige (liederen) en ze verheugen zich om de kabel met de hand aan te raken. Het (bouwwerk) komt mee en rolt dreigend het midden van de stad binnen. O vaderland, o Troje, huis van de goden, en door oorlog beroemde stadsmuren van de Trojanen! Viermaal precies op de drempel van de poort bleef het steken en viermaal gaven de wapens in de buik geluid; toch dringen wij aan, zonder erop te letten en verblind door waanzin, en we plaatsen het ongeluk brengende gevaarte op de gewijde burcht.