Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Via Nova > Boek 2 (Oude Druk)

Hoofdstuk 27, tekst 1: Men gaat naar het Tubularium

Dagelijks ging Flavus ˛f naar het Tabularium, dat op het Capitool gelegen was, ˛f naar het paleis van de kleizer op de Palatijn. Dat Tabularium werd het Staatsarchief van het Romeinse volk genoemd en Flavus was de beheerder van het Aerarium. Daarom maakte hij ook deel uit van het adviescollege van de keizer. Trajanus vroeg hem naar bijzonderheden van een bepaalde zaak. Alle dingen, die Flavus niet wist, placht hij in het Aerarium uit te zoeken. Hij wist goed dat hij in het Aerarium elke zaak kon uitzoeken. Dus ging hij het Aerarium binnen om de zaak uit te zoeken, vervolgens (ging hij) naar Trajanus om haar (=de zaak) uit te leggen. En bovendien ook was hij er aan gewend de keizer van veschillende zaken op de hoogte te stellen. De meeste besluiten, verordeningen en andere dingen die in het Aerarium opgeborgen waren, waaruit hij de verrichtingen van de voorouders te weten kwam, las hij door en rangschikte ze. Zˇ ijverig onderzocht hij ze dat hij veel ervan onthield en (ze) Trajanus nauwkeurig kon melden/leren. In deze dagen, waarin de voltooiing van het Forum Novum voorbereid werd, begaf/ging Flavus (zich) eerst naar het Palatijn om de opdrachten van de keizer in ontvangst te nemen, vervolgens (ging hij) naar het Aeramium om de opdrachten uit te voeren. Op een zekere dag echter waren er zoveel opdrachten over, dat hij onmiddellijk naar het Aerarium ging. Lucius mocht samen met zijn vader mee (gaan). Flavus heeft Lucius toegestaan met hem het Aerarium te bezoeken, omdat hij wist, dat zaken uit het verdere verleden zijn zoon ter harte gingen. Lucius vergezelde zijn vader graag, omdat hij zich werkelijk/inderdaad meer en meer toelegde op zaken uit het verleden. Over de Clivus Capitonus beklommen vader en zoon de berg en nadat ze de tempel van Iuppiter Optimus Maximus voorbijgegaan waren, gingen ze naar/bereikten ze de toegang van het Aerarium. Hoewel Flavus bij de bewaker goed bekend was, werd hij toch tegengehouden. Wie is die jongen? Hij is mijn zoon, antwoordde Flavus, Lucius. Omdat ik al lang wist dat hem oude dingen ten harte gaan, heb ik besloten hem hierheen te brengen. Mijn zoon moet ervan op de raken dat er zoveel monumenten van zijn voorouders over zijn. Daarom heb ik hem toegestaan me te vergezellen, opdat hij de berordeningen van zijn voorouders bewondert. De bewaker zei: Als je meer dan je vader wilt leren; begin (dan) (nu) al.