Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Vergilius

Vergilius: Aeneis 1, 12-33

Er was eens een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden haar), Carthago, tegenover ItaliŽ en op grote afstand van de monding van de Tiber, rijk door middel van werk en oorlog. Men zegt dat Juno deze heeft bemind als enige boven alle landen zelfs met achterstelling van Samos, want daar waren haar wapens en strijdwagens. Reeds toen koesterde de godin dat deze zou heersen over de volkeren als enigsinds het lot het toeliet. Ze had gehoord dat uit het Trojaanse geslacht een kind geleid zou worden dat de Turische vesting zou verwoesten. Deze zou als brede koning wijd en zijd beschermen, trots in oorlog en zo leiden tot de verwoesting van LibiŽ: zo bestemden de Parcen. Juno vreesde dit en de oude oorlog ter herinnering, die als eerste van Troje voor de geliefde Grieken gevoerd had. (de oorzaken van woede en woedende pijn waren ook nog niet uit de geest verdwenen: het oordeel van Paris en het onrecht van de verrachte vorm en de geroofde eer van Ganymedis bleef opgeborgen in de hoge geest.) Hierdoor meer aangestoken, hield ze de Trojanen, heen en weer geslingert over heel het zeeoppervlak, de overblijfselen van de Grieken en de harde Achilles, ver weg van Latium, en gedurende vele jaren dwaalden ze, opgejaagd door het noodlot over alle zeeŽn rond. Zoveel last was er om het Romeinse volk te stichten.