Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Vergilius

Georgica IV

v. 452 - 456

Niet de woede van zomaar een god (lett: niet de woede van geen goddelijke macht), teistert jou. Je boet voor grote overtredingen. Orpheus, beklagenswaardig, zonder het te verdienen (lett: geenszins omwille van schuld), veroorzaakt deze straffen voor jou en hij zal ze veroorzaken, als het lot zich niet zou verzetten en hij is woedend omwille van zijn echtgenote, die droevig is weggeroofd.

v. 457-463

Terwijl het meisje dat zou sterven halsoverkop langs de oevers van de rivieren voor jou vluchtte, zag ze warempel de reusachtige waterslang voor (haar) voeten niet, die verscholen zat op de oevers, in het hoge gras. En (lettr: maar) het koor van de bosnimfen van gelijke leeftijd vulde de toppen van de bergen (lettr: hoogste bergen) met gehuil (lettr: geroep); de toppen (lettr: de burchten) van het Rhodopegebergte huilden, de hoge Pangairon, het land van Rhesos, aan Mars gewijd; ook de Geten en de Hebros en Orithyia uit Acte.

v.464-470

Zelf, zijn ziek liefdesverdriet verlichtend met een holle lier (lettr: schildpadschelp), bezong hij jou, lieve (lettr: zachte echtgenote), jou, op zijn eentje op het eenzame strand (lettr: “allene” kust), jou, bij het aanbreken van de dag (lettr: komende van de dag), jou, bij het weggaan (van de dag).

v. 471-484 (in vertaling)

Hij drong zelfs door tot in de grot van Tainaron, de diepe ingang van de onderwereld, en tot in het woud met zijn angstaanjagende zwarte nevel. Hij richtte zich tot de onderaardse wezens, tot hun verschrikkelijke koning, tot de harten die niet door de smeekbeden van mensen geraakt worden. Toch kwamen, door zijn gezang ontroerd, uit de verste schuilhoeken van de onderwereld de ijle schaduwen en de schimmen van hen die het licht ontberen (al even talrijk als de vogels die met duizenden tussen de bladeren gaan schuilen, wanneer de avond of een stortvlaag ze uit de bergen verdrijft) : moeders, vaders, grote mannen wier leven afgelopen is, kinderen, jonge meisjes, jeugdige mensen die begraven werden in het bijzijn van hun ouders. De zwarte modder en het schrale riet van Cocytus, een poel met vies water, hield ze gevangen. En ook de Styx omsloot ze negenmaal met zijn armen. Tot in het paleis, in het centrum van de onderwereld, en bij de wraakgodinnen, wier haar met donkerkleurige slangen doorvlochten is, bracht Orpheus verbijstering. De drie opengesperde muilen van de hellehond verstijfden. Met het vallen van de wind kwam ook het rad van Ixion tot stilstand.

v.485-496

En reeds was hij – op de terugweg (lettr: op zijn voet terugdragend) – aan alle gevaren ontsnapt en de teruggegeven Eurydike kwam (reeds) bij de lucht(en) boven (haar) (lettr: de luchten die zich boven bevinden), (hem) volgend, want Proserpina had deze voorwaarde opgelegd (lettr: deze wet gegeven); toen een plotse onbezonnenheid zich meester maakte (lettr: nam) van de nietsvermoedende minnaar (lettr: de beminnende), (een onbezonnenheid) die zeker moet worden vergeven, mochten (lettr: als) de schimmen kunnen vergeven; hij bleef staan en onnadenkend & overwonnen in zijn gemoed (lettr: in zijn geest), ach! keek hij om, naar zijn Eurydike, reeds onder het daglicht zelf. Daar was alle moeite verkwist en de verdragen met (lettr: van) de harteloze heerser (waren) verbroken; driemaal (werd) een gedaver gehoord in de stilstaande wateren van het Avernusmeer.
Zij sprak: “Orpheus, wie heeft er zowel mij, ongelukkige, als jou ten gronde gericht? Wie is zo razend? Zie, opnieuw roept het wrede lot (mij) terug en een slaap bedekt (lettr: bergt op) (mijn) brekende ogen (lettr: lichten).

v.497-506

En nu vaarwel: omgeven door een reusachtige nacht, word ik (mee)gedragen, terwijl ik, ach, de jouwe niet (meer), mijn krachteloze handen naar jou (lettr: aan jou) uitgestrekt.”


Ze sprak en plots vluchtte ze in tegengestelde richting uit (zijn) ogen, zoals rook (die) vermengd (werd) met (lettr: in) de ijle lucht (lettr: dunne luchten); ze zag hem, die tevergeefs (naar) haar schim (lettr: schimmen) greep en (nog) veel wilde zeggen, niet meer (lettr: niet bovendien); de veerman van de onderwereld liet niet meer toe het versperde moeras over te steken.
Wat moest hij doen? Waarheen moest hij zich richten (lettr: dragen) nu
(lettr: nadat) zijn echtgenote tweemaal geschaakt was (lettr: haastig gegrepen was)? Met welke tranen (lettr: geween) (nu) de schimmen ontroeren? Welke goden (moest hij ontroeren) met (zijn) stem? Zij, warempel, voer reeds kil in het bootje van de Styx.

v.507-515

Ze zeggen dat hij zeven volledige maanden op (lettr: uit) een rij, op de voet van een hoge, steile rotswand, bij het water (lettr: golf) van het verlaten Strumoon heeft geweend en dat hij deze (gebeurtenissen) (lettr: dingen) bezongen heeft aan de voet van ijskoude grotten, terwijl hij tijgers bekoorde en eiken deed wiegen (lettr: dreef) door zijn lied.
(Hij gedroeg zich) zoals Philomela die treurend in (lettr: onder) de schaduw van een populier klaagt om haar verloren kroost dat een hartvochtige boer in de gaten kreeg en nog zonder pluimen uit het nest sleurde; maar zij (= Philomela) weent ’s nachts en zittend op een tak herbegint (lettr: hernieuwd) ze haar klaaglied en vult met (haar) jammerklachten (lettr: droevige jammerklachten) de streken wijd
(lettr: breed) in het rond.

v.516-527

Geen Venus, geen huwelijk kon hem op andere gedachten brengen (lettr: bogen zijn geest). Eenzaam (lettr: alleen) doorkruiste hij de velden van de Hyperboreeërs, de besneeuwde Tanais en de velden van het Rhiphaeusgebergte die nooit vrij van rijm zijn, terwijl hij klaagde over zijn geschaakte (lettr: haastig gegrepen) Eurydike en over het vergeefse geschenk van Dis; door dit eerbewijs (lettr: geschenk) misprezen, verscheurden de moeders van de Kikones de jongeman tijdens (lettr: tussen) de offerfeesten van de goden, meerbepaald (lettr: en) tijdens de nachtelijke orgieën van Bacchus en ze verstrooiden hem over de uitgestrekte akkers.
Toen ook, toen de Thrakische Hebrus zijn hoofd, (dat) van zijn witmarmere nek gerukt (was), ten midden van een draaikolk (lettr: het middelste van een draaikolk) meedroeg en voortwentelde, riep zijn stem zelf en ook zijn kille tong “Eurydike ach! ongelukkige Eurydike”, terwijl zijn ziel (weg)vluchtte; de oevers weerkaatsten (lettr: brachten terug) over heel de rivier (de naam van) Eurydike.