Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Vergilius

Aene√Įs, Zang IV

Maar de vorstin, sinds lang door liefde gepijnigd, voedt de wond met haar bloed en wordt verteerd door een heimelijk vuur. De grote moed van de held, de grote roem van zijn stam komen steeds haar weer voor de geest; in haar hart staan gegrift zijn trekken en woorden; de liefde ontzegt aan haar leden een rustige slaap. De volgende dag verlichtte Aurora de landen met de fakkel van Phoebus en zij had de vochtige nacht van de hemel verjaagd, toen de verdwaasde sprak tot haar zuster, de eensgezinde: 'Anna, mijn zuster, welke angstige beelden verschrikken mij en houden mij uit de slaap! Welk een bijzondere gast heeft onze woning betreden, hoe edel is zijn gelaat, hoe dapper zijn hart en zijn daden! Ik geloof, en het is geen ijdel geloof, dat hij stamt van de goden. Vrees verraadt een lage geboorte. Ach, hoe heeft het lot hem geslingerd, van hoeveel oorlogsellende heeft hij verhaald! Als het niet onwrikbaar stond in mijn geest mij aan niemand meer door een huwelijk te binden, sedert de bedrieglijke dood mij mijn eerste liefde ontnam, als ik geen afkeer had van bruidsvertrek en van bruiloft, zou ik misschien voor deze ene verzoeking kunnen bezwijken. Want Anna, ik zal het bekennen: na de dood van mijn arme Sychaeus, toen de huiselijke haard door broederbloed werd bespat, heeft deze alleen mij van andere gedachten vervuld en mijn geest aan het wankelen gebracht; ik speur de vlam van vroegere liefde. Toch bid ik, dat eerder de diepte der aarde zich voor mij opent of dat de almachtige vader door de bliksem mij voert naar het rijk van de dood, de bleke schimmen onder de aarde en de diepe nacht, voordat ik, schaamte, u schend en uw rechten verbreek. Hij die mij door een eerste band aan zich bond, hij nam mijn liefde mee; moge hij haar houden en in zijn graf haar bewaren: zo sprak zij en haar kleed werd nat van een vloed van tranen. Anna antwoordde haar: 'Zuster, mij meer geliefd dan het licht van de zon, zal dan steeds uw eenzame jeugd in droefheid verkwijnen, zult ge nooit kennen het zoet bezit van kinderen en de vreugden van Venus? Gelooft ge dat de as en de schimmen der doden zich hierom bekreunen? Wel heeft nooit tevoren een andere man uw treurend hart overwonnen, niet hier in Libye, niet eerder in Tyrus; Iarbas werd door u versmaad en de andere vorsten, Afrika's roemrijke zonen. Maar zult ge ook een liefde weerstreven, die u behaagt? Bedenkt ge dan niet, in wier land gij u hier hebt gevestigd? Aan ťťn zijde sluiten u in de Gaetulische steden, een volk in de oorlog onoverwinbaar en de ongetoomde Numidische ruiters en de ongastvrije Syrte, aan de andere kant een streek verlaten door droogte en de plunderende benden van Barca. Wat hoef ik te noemen de oorlog, waarmee vanuit Tyrus uw broeder u dreigt? Ik geloof, dat door de beschikking der goden en de gunst van Iuno de wind de Trojaanse schepen naar deze kust heeft gedreven. Welk een stad zult gij, zuster, hier zien verrijzen, welk een rijk door zulk een huwelijksverbond! Hoe machtig zal zich de roem der Carthagers verheffen, met de wapens van de Trojanen vereend! Vraag slechts verlof aan de goden en win door offers hun gunst. Wees gastvrij zoals gij dat kunt en zoek redenen hem te vertragen, zolang de winter en de regenbrengende Orion woeden op zee, zolang de schepen ontredderd zijn en de hemel meedogenloos is.' Deze woorden ontvlamden Dido's brandend hart en gaven hoop aan haar weifelende geest en verdreven de schaamte. Eerst bezochten zij beiden de tempels en smeekten zij bij de altaren om vrede; zij slachtten volgens gebruik de mooiste schapen aan de wettengevende Ceres, aan Phoebus en aan vader Bacchus, voor allen aan Iuno, de godin van het huwelijksverbond. De schone Dido hield zelf de offerschaal in de rechterhand en stortte hem leeg tussen de horens van een glanzende koe of zij naderde voor het oog der goden de vette altaren en vierde de dag met gaven en zich buigend over de geopende borst van het vee raadpleegde zij het lillend ingewand. Ach, onwetend beid der profeten! Wat baten gebeden, wat tempels haar, een bezetene? De vlam verteert inmiddels haar zachte merg en zwijgend leeft de wond in het diepst van haar borst. De ongelukkige Dido verbrandt en zwerft als een razende overal rond in de stad, als een hinde, gewond door een pijl; een herder op jacht trof onverhoeds uit de verte het dier in de Cretensische wouden en liet zonder het te weten in haar achter het gevleugelde ijzer; vluchtend doorkruist de hinde Dicte's ravijnen en bossen; in haar zijde hangt het doodbrengend riet. Nu eens leidt zij Aeneas door het midden der stad en zij toont hem vol trots de Sidonische rijkdom en de bouw van de huizen; zij begint een gesprek, maar blijft in haar woorden steken. Dan weer, als de avond valt, gaat zij naar het gastmaal en verdwaasd begeert zij opnieuw te horen de lotgevallen van Troje, opnieuw hangt zij aan de lippen van de verteller. Dan, als zij uiteen zijn gegaan en op haar beurt de maan haar verdonkerend schijnsel vermindert en de dalende sterren noden tot slaap, treurt zij eenzaam in het lege paleis en legt zich op de verlaten rustbank neer. De afwezige hoort zij en ziet zij of door de gelijkenis met zijn vader bevangen houdt zij Ascanius op haar schoot om haar onzegbare liefde zo misschien te misleiden. De half voltooide torens verrijzen niet, de jeugd verwaarloost het wapenbedrijf en de bouw van de havens en van het veiligheid brengende bolwerk : onderbroken liggen de werken terneer, de dreiging der hoge muren, het tot de hemel reikend oorlogsgevaarte. Toen Saturnus' dochter, de dierbare gade van Iupiter, zag dat Dido de prooi was van zulk een verterende macht en dat de gedachte aan haar naam haar hartstocht niet in de weg stond, richtte zij tot Venus de volgende woorden: 'Voorwaar, een edele roem en rijke buit behaalt gij, gij en uw zoontje, groot en vermeldenswaard is uw goddelijke macht, als ťťn vrouw door de list van twee goden is overwonnen. Toch ontgaat het mij niet, dat gij onze muren vreest en de bouw van het hoge Carthago met argwaan beziet. Maar wat zal het einde zijn, waartoe nu zo'n heftige strijd. Laten wij liever een blijvende vrede sluiten, door een huwelijk bekrachtigd. Gij hebt, wat ge met uw gehele hart hebt begeerd: Dido brandt van liefde, die drong in het diepst van haar ziel. Laten wij met gelijke macht het verenigde volk besturen; laat Dido haar Trojaanse gemaal mogen dienen en haar Carthagers als bruidsgift geven in uw hand.' Maar Venus begreep dat zij had gesproken met de geheime bedoeling om de Italische heerschappij naar de Libysche kust te verleggen. Venus antwoordde dus: 'Wie zou zo dwaas zijn zulk een voorstel te verwerpen en liever met u de strijd aan te binden? Zo er slechts zegen rust op uw plan. Maar ik twijfel over de gang van het lot, of Iupiter wenst dat er ťťn stad zal zijn voor Carthagers en Trojanen, of hij goedkeurt dat deze volken worden vermengd en een verbond wordt gesloten. Maar gij zijt zijn vrouw; aan u de taak door smeekbeden hem te overreden. Ga voor, ik zal volgen.' De vorstelijke Iuno gaf ten antwoord: 'Die taak neem ik op mij. Nu zal ik - luister goed - u met weinig woorden verklaren, hoe ons doel kan worden bereikt. Aeneas en de arme Dido zijn van plan op jacht te gaan in het woud, zodra morgenvroeg de zon rijst boven de kim en met zijn stralen de aarde ontsluiert. Terwijl de ruiters draven en de jagers het bos omsingelen, doe ik op hen dalen een zwarte bui met hagel vermengd; het gehele gewelf zal ik door donder bewegen. De jagers zullen stuiven naar alle kanten en worden gehuld in donkere nacht. Dido en de Trojaanse vorst zullen schuilen in dezelfde spelonk. Ik zal er zijn en als ik verzekerd kan zijn van uw goede gezindheid, zal ik haar tot zijn gade wijden door een blijvend verbond; dit zal hun huwelijksdag zijn.' Cytherea verzette zich niet en lachte om de door Iuno verzonnen list. Ondertussen rees Aurora op uit de golven der zee. De zon stond reeds aan de hemel en een keur van jeugdige jagers trok de poorten uit: wijdmazige netten en strikken en breedpuntige speren, Massylische ruiters, een grote troep speurende honden. De koningin toefde in haar vertrek; aan haar drempel wachtten de edelsten van de Carthagers; daar stond haar paard met goud en purper getooid en kauwde onstuimig het schuimende bit. Eindelijk kwam zij tevoorschijn, omstuwd door een groot gevolg. Een Sidonische mantel met kleurige zoom omhulde haar leden, van goud was haar pijlkoker, in goud waren haar haren gevat, een gouden gesp hield samen het purperen kleed. Ook de Trojanen en de verheugde Iulus sloten zich aan en schoon boven allen voegde zich bij het gezelschap Aeneas. Zoals Apollo, wanneer hij het winters LyciŽ en Xanthus' stromen verlaat en het moederlijk Delos bezoekt; hij stelt de reidansen in en rond de altaren tieren dooreen Cretensers en Dryopen en getatoeŽerde Agathyrsen; zelf gaat hij over de rug van de Cynthus en hij omwindt het golvend haar met zacht loof en omkranst het met goud, de pijlen rinkelen hem op de schouders : niet minder fier ging daar Aeneas, eenzelfde schoonheid glansde van zijn edel gelaat. Toen zij waren gekomen in het gebergte en het ontoegankelijk woud, sprongen de wilde geiten van de toppen der rotsen en renden langs de helling omlaag, ginds verlieten de herten de bergen en staken de open vlakten over, voortijlend, in stoffige drommen. Ascanius bereed in de valleien blijde zijn vurig paard en reed in galop nu dezen voorbij, dan genen, wensend dat te midden van het weerloos gedierte zou verschijnen een schuimend wild zwijn of een rosse leeuw van de bergen zou dalen. Intussen weerklonk overal aan de hemel een dof gerommel; er volgde een donkere bui met hagel vermengd. De Carthaagse jagers, de Trojaanse jeugd, de kleinzoon van Venus, zij stoven uiteen door de velden en zochten angstig een schuilplaats. Stromen gutsten omlaag van de bergen. Dido en de Trojaanse koning vonden toevlucht in eenzelfde spelonk. Terstond gaven Tellus en de huwelijksgodin Iuno een teken: bliksems flitsten en de hemel ontgloeide, zich van het huwelijk bewust; op de toppen der bergen jubelden de nimfen. Dit was de eerste dag van de dood en de eerste oorzaak van rampspoed. Niet langer stoorde zich Dido aan schijn of naam, niet meer dacht zij aan heimelijke liefde. Huwelijk noemde zij het; die naam moest dekken haar schuld. Terstond vloog de Faam over Libyes grote steden, Fama, de snelste van alle plagen ter wereld. Bewegelijkheid is haar kracht, die door het voortgaan vermeerdert. Aanvankelijk klein door vrees, verheft zij zich snel in de lucht en gaande over de grond bergt zij het hoofd tussen de wolken. Haar heeft eens, zo vertelt men, Moeder Aarde, in woede ontstoken tegen de goden, als laatste kind gebaard, een zuster van Coeus en Enceladus; snel zijn haar voeten, vlug haar vleugels, een groot en gruwelijk monster. Zoveel veren er zijn op haar lijf, zoveel wakende ogen ( een wonder om te verhalen ) schuilen daaronder, zoveel tongen en monden praten, zoveel oren spitst zij. 's Nachts vliegt zij krijsend door het donker tussen hemel en aarde, niet sluit zij haar ogen in zoete slaap. Overdag zit zij op wacht op de nok van een dak of op hoge torens; zij verschrikt grote steden, even verzot op laster en leugen als bereid tot vertellen van waarheid. Ook toen verspreidde zij onder de mensen veelvuldige praatjes, vol vreugde verkondend wat wel en wat niet was geschied: dat Aeneas gekomen was, een zoon van Trojaanse stam en dat de schone Dido zich had verwaardigd zich aan hem te binden; dat zij nu de lange winter in wellust doorzwelgden, door schandelijke hartstocht bevangen, hun koningsplichten vergetend. Zulke dingen verspreidde de boze godin overal op de tongen. Weldra ook wendde zij haar vlucht naar koning Iarbas; zij ontvlamde zijn hart door haar woorden en deed zijn gramschap groeien. Deze, een zoon van Hammon en de geschaakte nimf Garamantis, had in zijn uitgestrekt rijk voor Iupiter honderd grote tempels en honderd altaren gebouwd en daar de immer waakzame vuren gewijd, de eeuwige wachten der goden. De bodem droop van het bloed der offers, de tempeldeuren bloeiden door bonte kransen. Hij - zo verhaalt men - buiten zich zelve en ontvlamd door het bitter gerucht, bad bij de altaren voor de ogen der goden, Iupiter vurig smekend, de handpalmen gekeerd naar de hemel: 'Almachtige Iupiter, aan wie nu het Moorse volk, aanliggend op veelkleurige bedden, de eregave van Bacchus plengt, ziet ge dit, vader? Of sidderen wij voor niets, wanneer gij uw bliksems slingert? Klieven in den blinde de vuren de wolken, vergeefs onze harten verschrikkend en is ijdel het gedreun van de donder? De vrouw, die als zwerveling in ons gebied door koop een kleine stad heeft gesticht, aan wie wij akkerland en heerschappij hebben gegeven, heeft een huwelijk met ons versmaad en Aeneas als heerser in haar rijk ontvangen. Zo nu bemachtigt hij de buit, een tweede Paris met zijn verwijfd gevolg, de Phrygische muts over zijn druipende haren gebonden onder de kin. Maar wij verrijken uw tempel met gaven en eren een ijdele schijn.' De almachtige vader hoorde hem die zo bad en het altaar omklemde. Hij wendde zijn blik naar de stad der vorstin en de beide gelieven, die zich om hun eervolle naam niet langer bekreunden. Aan Mercurius gaf hij de volgende opdracht: 'Ga, mijn zoon, roep de winden en glijd voort op uw vleugels en spreek tot de Trojaanse koning, die nu in het Tyrische Carthago toeft en niet omziet naar de steden voor hem door het lot bestemd. Spreek hem toe en breng hem door de snelle winden mijn boodschap. Niet dit heeft zijn schone moeder ons van hem beloofd, niet daarom heeft zij hem tweemaal van de Griekse wapens gered. ItaliŽ, zwanger van krijgsmacht, dreunend van oorlog, zou hij regeren, het ras van Teucrus' edel bloed zou hij overbrengen daarheen en hij zou de gehele wereld onder zijn wetten bedwingen. Als dan niet de roem van zo grote daden hem aanvuurt en hij niet om eigen eer die zware taak onderneemt, worden dan aan Ascanius door zijn vader de Romeinse burchten misgund? Welk overleg, welke hoop doet hem talmen bij een vijandig volk? Bekommert hij zich niet om zijn Ausonisch nakroost en de Lavinische velden? Scheep moet hij gaan! Dit is mijn bevel. Dit moet uw boodschap hem melden.' Zo sprak Iupiter en Mercurius, bereid het bevel van zijn machtige vader te volgen, bond eerst aan zijn voeten de gouden sandalen, die met hun vleugels hem droegen hoog in de lucht over zeeŽn en landen, zo snel als de wind. Toen greep hij zijn staf waarmee hij de bleke schimmen naar boven roept uit de Orcus en andere naar de droevige Tartarus zendt. Daarmee geeft en ontneemt hij de slaap en ontsluit hij de ogen der doden. Op die staf vertrouwend bestierde hij de winden en doorzwom hij de troebele nevels. Weldra op zijn vlucht onderscheidde hij de kruin en de steile wanden van de harde, de hemel torsende Atlas, wiens pijnboomdragend hoofd voortdurend omringd is door zwarte wolken en gezweept wordt door regen en wind. Een sneeuwlaag ligt op de schouders, rivieren storten zich langs de kin van de grijsaard, zijn ruige baard staat stijf van het ijs. Hier voor het eerst op zijn vleugels zwevend bleef Mercurius staan; van hier dook hij het lichaam buigend omlaag, gelijk een vogel die langs stranden en visrijke klippen laag vliegt over de zee. Zodra zijn gevleugelde voeten hem hadden gebracht naar de Punische stadswijk, werd hij Aeneas gewaar, bezig burchten en nieuwe huizen te bouwen. Hij droeg een zwaard met goudgele jaspis besterd; een van Tyrisch purper gloeiende mantel hing hem van de schouders, een geschenk dat de rijke Dido gemaakt had, het weefsel met dun gouddraad doorvlechtend. Terstond voer hij tegen hem uit: 'Hoe nu? Legt gij hier de grondslagen voor het hoge Carthago en bouwt gij hier een schone stad, gij, de slaaf van een vrouw? Zijt gij dan helaas uw rijk en uw belangen vergeten? De koning der goden zelf, die hemel en aarde op zijn wenken doet wentelen, zendt mij van de glanzende Olympus tot u omlaag; zelf beveelt hij mij deze boodschap snel door het luchtruim te brengen: welk overleg, welke hoop doet u werkeloos talmen in het Libysche land? Als dan niet de roem van zo grote daden u aanvuurt en gij niet om eigen eer die zware taak onderneemt, denk dan aan de opgroeiende Ascanius en de toekomst van uw erfgenaam, bestemd om te heersen over ItaliŽ en het Romeins gebied.' Toen de Cyllenische god dit woord had gesproken, verliet hij, terwijl hij nog sprak, de aanblik der mensen en hij verdween uit het oog ver weg in de ijle lucht. Aeneas was door die verschijning met stomheid geslagen; zijn haren rezen te berge van schrik, de stem stokte hem in de keel. Reeds verlangde hij vurig te vluchten en het liefelijk land te verlaten, verbijsterd door een zo stellig vermaan en bevel van de goden. Ach, wat moet hij doen? Met welke woorden moet hij het wagen de verdwaasde vorstin te naderen? Hoe te beginnen? Hij wendt zijn vlugge gedachten nu hierheen, dan daarheen, zij vliegen naar alle kanten en overdenken alles. Aan zijn weifelende geest scheen dit plan het meest te verkiezen: hij riep Mnestheus en Sergestus en de dappere Serestus en beval dat zij in alle stilte de vloot zeilklaar moesten maken, de mannen verzamelen op het strand, de wapens gereed moesten houden en het doel van deze ongewone daden moesten verzwijgen. Zelf zou hij inmiddels de edele Dido, die van niets wist en geen verbreking van zo grote liefde verwachtte, trachten te naderen en te vinden het beste tijdstip voor een gesprek en de geschiktste wijze van doen. Allen gehoorzaamden vlug en voerden verheugd de bevelen uit. Maar de koningin ( wie kan een verliefde misleiden?) had een voorgevoel van de listen en vrezend, waar nog niets viel te vrezen, vernam zij het eerst het toekomstig vertrek. Opnieuw de boosaardige Fama berichtte aan de verdwaasde dat de vloot zeilklaar werd gemaakt en tot vertrekken gereed. Radeloos ging zij tekeer, razend doorzwierf zij de gehele stad zoals een Bacchante, die wanneer de heilige voorwerpen van de dienst naar buiten gebracht zijn opschrikt zodra zij op het driejaarlijks feest de prikkelende Bacchusroep hoort en de nachtelijke Cithaeron haar roept met zijn kreten. Ten laatste sprak zij het eerst tot Aeneas de volgende woorden: 'Trouweloze, hebt ge gehoopt een zo groot onrecht te kunnen verbergen en zonder een woord mijn land te verlaten? Weerhoudt u niet onze liefde, niet de eens gegeven belofte, niet de gedachte, dat Dido een wrede dood zal sterven? Ja zelfs bij het wintergesternte brengt ge uw vloot in gereedheid en gij haast u, wreedaard, te midden der noorderstormen de zee te bevaren. Zelfs als ge niet vreemde gebieden en onbekende woonplaatsen zocht en oude Troje nog stond, zoudt ge dan toch de steven naar Troje wenden over een zo woelige zee. Gaat gij voor mij op de vlucht? Ik smeek u bij deze tranen, bij uw rechterhand ( iets anders liet ik ongelukkige aan mij zelve niet over ), bij onze verbintenis, bij het huwelijk dat wij hebben gesloten, zo ik u ooit een weldaad bewees of iets van mij u gelukkig maakte, heb medelijden met mijn ineenstortend huis, en als het niet te laat voor smeekbeden is, bezin u en verander uw plannen. Om u haten de Libysche volken mij en de Nomadische vorsten en zijn de TyriŽrs op mij verbitterd. Om u werd mijn eer geschonden en mijn vroegere naam, die mij meer dan iets anders hief tot de sterren. Aan wie levert gij mij om te sterven over, gij mijn gastvriend, want dat is de enige naam die in plaats van echtgenoot nu nog rest. Wat talm ik nog? Soms totdat mijn broeder Pygmalion mijn muren verwoest of de GaetuliŽr Iarbas mij als gevangene meevoert? Als ik tenminste voor uw vlucht een zoon van u had ontvangen, als een kleine Aeneas mocht spelen in mijn paleis, die in zijn gelaat mij aan u zou herinneren, zou ik mij niet geheel misleid en verlaten gevoelen.' Zo sprak zij en hij volgens Iupiters opdracht hield zijn ogen strak en onderdrukte met moeite zijn leed. Eindelijk sprak hij kort: 'Koningin, nooit zal ik ontkennen de weldaden, hoevele ge er ook opsommen kunt, aan mij bewezen; nooit zal het mij verdrieten terug te denken aan Dido, zolang ik mijzelf gedenk en de adem mijn leden bestiert. Voor het ogenblik zal mijn antwoord kort zijn. Niet was het mijn plan - verbeeld het u niet - dit land in heimelijke vlucht te verlaten; nooit spiegelde ik u een huwelijk voor, ik kwam niet tot zulk een verbond. Als het noodlot mij toestond een leven te leiden naar eigen beschikking en naar eigen wens voor mijn belangen te zorgen, zou ik allereerst denken aan de stad Troje en wat mij rest van mijn volk; dan stond nog Priamus' burcht, een nieuw Pergama had ik voor mijn overwonnen volk gebouwd. Maar naar het grote ItaliŽ verwijst mij Apollo, naar ItaliŽ beveelt mij het Lycisch orakel te gaan; dat is het land van mijn wensen, dat is mijn vaderland. Als de Carthaagse burcht en de aanblik van een Libysche stad u, een Phoenicische vrouw, hier bindt, waarom dan aan de Trojanen misgund zich te vestigen in Ausonisch gebied? Ook wij hebben het recht elders een rijk te zoeken. Telkens wanneer de nacht de landen in vochtige schaduwen hult, wanneer de vurige sterren verrijzen, vermaant en verschrikt mij in de slaap de verontruste schim van mijn vader. De kleine Ascanius is mij een waarschuwing en het onrecht gepleegd aan zijn dierbaar hoofd, als ik hem van ItaliŽ beroof en de landen hem door het lot beschoren. Nu bovendien heeft de tolk der goden door Iupiter zelf gezonden (ik zweer het bij ons beider hoofd) mij door het ijle luchtruim een boodschap gebracht; zelf zag ik in helder licht de god binnen de muren verschijnen, met eigen oren heb ik zijn stem gehoord. Houd op mij en u zelf te ontstellen met uw klachten; niet uit eigen wil zoek ik ItaliŽ.'