Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Studium > Boek 2

Caput 4 : Timidus wordt gekwetst.

Celer maakt onmiddellijk zijn hond los, als hij de koeien in de stal hoort loeien. Daarna loopt de hond vlug naar de stal toe. Celer kan echter niet zo snel als zijn hond lopen en bovendien ziet hij niet zo scherp: in het midden van de nacht zien alle mensen immers te weinig. De drie bandieten horen de hond, die niet ophoudt te blaffen, naar de stal lopen.Timidus: << Audax, luister ! Ik hoor de hond. Ik vrees de scherpe tanden van de honden. >> Bibulus: << Hercules ! Een dienaar en een hond komen toegelopen ! Komt, vrienden ! >> Audax: << Ik vlucht niet uit de stal. Ik weet ook helemaal niet of de honden door mijn speer verwond en ook gedood kunnen worden. >> Timidus: << Maak de hond af, Audax ! Ik ben in grote vrees ! >> Audax: << Wat zeg je ? >> Timidus: << Ik beveel de hond te doden. >> Audax: << Sstt ! Zwijg ! Niets kan ons helpen behalve onze tucht en onze dapperheid. >> Drie bandieten staan in de duisternis en niet n van hen beweegt. Intussentijd blijft de zwarte hond naast de ingang van de stal van de koeien staan. Die deur staat echter niet open. De hond stopt met blaffen als Celer als tweede bij de deur aankomt, hij geeft hem een teken. De dienaar opent voorzichtig de deur en gaat met de hond de stal binnen. Celer: << Zie, die andere deur van de stal staat open. >> Als de dienaar die woorden zegt, komt hij bij die deur aan, maar plots begint de hond te blaffen en Celer voelt zelf een grote speer langs zijn hoofd vliegen. De dienaar draait zich om, maar trekt zich onmiddellijk uit vrees terug en hij roept, terwijl hij de speer uit de deur trekt: << Hercule ! Ik aanvaard de strijd ! Zulk voorval kan ik niet nemen ! Zulke misdaad maakt mij boos ! Nu draag ik ook een scherpe speer. Ik vrees de bandieten niet ! >> Als de bandieten zien dat noch de hond, noch de dienaar door de speer getroffen worden, vluchten zij, door de deur van de stal, naar de velden. Bibulus: << Komt, vrienden, naar de bossen ! >> Timidus: << Ik kan niet zo vlug als jullie lopen ! Verlaten jullie mij liever niet ! Celer, die de bandieten ziet vluchten, roept: << Mooi ! Deze onbeschaamden draaien de ruggen uit vrees, maar deze gelegenheid wil ik niet laten ontglippen. Ik durf alles voor de eer; wie niet durft, kan nooit overwinnen. De lof van mijn meester is voor mij de grootste beloning. >> Daarna loopt de dienaar, die de villa zo krachtig tegen de bandieten verdedigt, met zij hond in de velden. Omwille van de duisternis van de nacht bemerkt hij behalve een duistere schaduw niets; kwaad werpt hij met zijn speer erin (omdat men dat in de verhalen gewoonlijk altijd vertelt) en hij treft de rug van een bandiet. Timidus, de ongelukkige bandiet, roept: << Ah ! Ik word getroffen ! Ik word door een dienaar verwond ! Helpt, vrienden, ik sterf ! >> Audax: << Stop, Bibulus ! Ik hoor Timidus roepen; hij wordt door de speer van die dienaar getroffen ! >> Bibulus: << Ik stop niet. Loop met mij naar de bossen, Audax, als gij je leven wil bewaren. Weldra worden de heer en al zijn dienaren door het geroep van Timidus uit de slaap gerukt. >> Daarna vluchten twee bandieten in de bossen. Ondertussen ontdekt de snelle hond als eerste Timidus en hij bijt hem met zijn scherpe tanden.Timidus: << Oh, Ah ! De hond bijt mij; Waarom bijt hij mij ? Ik word door de hond gebeten, gedood ! Hou op, hond. >> Celer komt reeds toegelopen en antwoordt hem: << Gij word niet gedood, maar terecht door deze hond gebeten, onbeschaamde bandiet ! Bah, gij zijt een angstige bandiet, gij word door deze hond overwonnen ! >> Timidus: << Niet door de hond maar door je speer ! Pas op, dienaar, ik ben een Romeinse burger. >> Celer: << Hercule ! Welke goede burger maakt zich schuldig aan zulke misdaden ? De burgers, die niet aan de wetten gehoorzamen, zijn slechte burgers. Zulke burgers worden noch door de heer, noch door mij gewaardeerd. >> Timidus: << Mijn ongelukkige jeugd is de oorzaak van al mijn slechtheden. Laat mij gaan; ik geef mijn slecht leven op en ik beloof je grote beloningen, als je mij laat gaan. Gij zijt een dienaar van zeer grote moed ! >> << Ik vertrouw gemene bandieten niet. Gij overtuigt mij niet gemakkelijk met zulke woorden. Ik wil mijn heer niet laten vallen. Dit gesprek is voor jou niet voordelig. >> Intussentijd loopt Lentus, de luie dienaar, uit de stal en roept: << Help ons, heer ! Help ons, dienaren ! Wij worden door tien bandieten aangevallen; onze Celer wordt door die bandieten gedood. >> Deze woorden van Lentus worden door Marcus Valerius gehoord; hier roept hij door het venster van de slaapkamer: << Wat is er ? Waar zijn die bandieten ? >> Celer echter antwoordt hem: << Dat wat Lentus zegt is niet waar. Jullie worden niet door tien bandieten aangevallen. >> Ik bewaak n van hen bij de stal van de paarden. De vrees van die bandiet is zeer groot en de twee anderen zijn reeds in de bossen. Mijn hond zoekt hen. Kom, meester, alles is veilig. >> Marcus Valerius: << Ik kom ! >>