Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Studium > Boek 2

Caput 2: Zijn onze gasten handelaars of rovers ?

Wanneer ze de deur/poort van de villa naderen, stellen de ruiters op hetzelfde ogenblik hun paarden daar op. Marcus is er al met de slaven die door de komst van de ruiters een beetje bang worden gemaakt. De ruiters groeten de heer :
'Gegroet, heer.' Marcus : 'Gegroet ook jullie, ruiters. Waarom komen jullie hierheen? Het is al het einde van de dag.' Eιn van de ruiters zegt : 'Wees AUB niet bang. Wij komen hier niet toevallig. Wij zijn handelaars die je paarden willen kopen. Vele paarden immers, zoals men ziet, worden door jou slaven op het veld gevoed. Jij wil toch zeker wel paarden aan ons verkopen?' Marcus : 'Zijn die paarden voor jullie zelf noodzakelijk?' de Ruiters : 'Neen, maar voor het Romeinse leger worden goede paarden door ons gezocht in deze streek.' Ceffax, het kleine hondje van Quintus, loopt intussen weg van de poort en bemerkt de vijandige ogen van de ruiters. Grootvader lacht en fluistert : 'Quintus, heb vertrouwen in je hond ! Het bevalt ook mij niet wat hier nu gebeurt. Die ruiters zijn slechte dingen van plan.' Vervolgens vraagt grootvader aan de eerste van de ruiters met een strenge, ernstige stem : 'Vanwaar komen jullie?' De ruiter twijfelt een beetje en antwoordt tenslotte dat hij uit Trier komt. Opa : 'mm, uit Trier? Horen jullie dat? Deze gasten hier van ons komen van zo ver slechts om die reden, omdat ze paarden willen kopen. Jij hebt zeker goede en beroemde paarden, mijn Marcus, als de inwoners van Trier niet aan hun Epona, maar aan ons paarden vragen. Het zijn toch zeker geen Pegasussen die jij weidt?' Marcus : 'Ik kan slechts 5 paarden aan jullie verkopen. De overigen zijn voor mij en mijn familie noodzakelijk. En 1 paard kost 1000 sestertie.' Ruiter : ' 1000 sestertie? Die prijs is veel te veel ! Veel dank. Maar wij worden gedwongen om naar een andere heer te gaan.' Onmiddellijk worden de villa en de familie door de ruiters verlaten en ………………………………………………………………… . Grootvader : 'Marcus, mijn zoon, geloof mij : die mannen kunnen door jou niet vertrouwd worden. En hun woorden en gezichten bevallen mij niet. Ik ben er zeker van dat ze geen handelaars maar rovers zijn. …………………………………………………………………………………… .'
Marcus is het gewoon dat vele handelaars bij zijn thuis komen en antwoordt :
'Misschien, begint hij, vergis jij je, mijn vader. Maar wij waken gedurende dag en nacht en wij bewaken ons huis en bezittingen.' Grootvader : 'Zo ………… . Waak goed. Want ιιn ding is zeker : mijn oordeel is nooit vals.'