Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Studium > Boek 1

9: Waar is het goud ?

De kinderen kunnen echter, als zij bij de kuil aankomen, zelfs niet n goudstuk vinden. Vader: << Kinderen, kunnen jullie, jullie wonderbaar verhaal bewijzen ? Jullie vertellen ons veel wonderbaars over de grote hoevellheid goud, maar nu vindt niemand jullie goudstukken. Het goud ligt niet in de kuil. >> Quintus: << Vader, niemand kan ons verhaal bewijzen, omdat niemand van ons n goudstuk bezit. Valeria is te rechtvaardig. >> Lucius: << Ik..ik..ik heb bij me twee goudstukken uit de kuil. >> Als Quintus het goud ziet, roept hij kwaad: << Het is mijn goud. Gij zijt een stoute en valse jongen. Geef mij de goudstukken. Het is niet jou, maar mijn geld. >> Lucius antwoordt aan Quintus: << Ik geef de goudstukken niet aan jou, maar aan Valeria. >> Valeria aanvaardt de goudstukken van Lucius en toont onmiddellijk het geld aan de anderen. Vader: << Het zijn Romeinse goudstukken. Uw verhaal is waar, maar waar zijn de overige munten ? >> De kinderen zwijgen maar Celer, n van de dienaren, antwoordt aan zijn meester: << Heer, hier zijn niet alleen de sporen van de kinderen op de grond, maar ook vele andere sporen. Vele sporen komen uit het bos en daarna gaan ze terug in het bos. In het bos zijn er vreemdelingen. Zij houden zich bezig met misdaad. De vreemdelingen hebben misschien het goud; >> Vader: << Zo is het, Celer. Komt met mij kinderen en dienaren, wij gaan naar de villa terug. Nu beloof ik tien goudstukken aan de God Mercurius, als wij ooit het goud vinden. >>.....Intussentijd werkt Lentus met de andere Germaanse dienaren op de velden. Na enkele uren zijn ze moe en zitten in de schaduw van een kleine tempel. Op de oever van de rivier zijn er twee tempels: de ene is van Mercurius, de andere tempel is van de drie vrouwen.Naast de weg zijn er enkele graven .De dienaren zitten in het gras en verbruiken voedsel en drinken water. Lentus: << Vrienden, luistert ! Ik vertrouw jullie toe. Ik ben van plan uit de villa te vluchten. Ik wens vrij te zijn. >> Florus: << Ik draag de slavernij ook met tegenzin, maar ik durf niet te vluchten.>> Lentus: << Als je wapens draagt, ben je altijd veilig. >> Florus: << Heb je geen wapens ? O god en godin, wat ben je ondernemend ! >> Bubulus: << Hoe wil je vluchten ? Dichtbij de Rijn zijn er immers twee Romeinse kampen en niemand van ons kan je hulp brengen. >> Lentus: << Waarom komen jullie niet met mij, vrienden ? Want jullie dragen ook al vijf jaar de Romeinse slavernij bij een strenge en hoogmoedige meester. Ik vertrouw niet alleen mijn pijlen en mijn zwaard, maar ook de Germaanse goden. Onze goden laten mij nooit in de steek. >> Calvus: << De goden beschermen de groten en verwaarlozen de kleinen, zo doen ze. Waarom wil je vluchten ? Als je je op de plicht toelegt, is onze meester menselijk en rechtvaardig. >> Lentus: << Ik mis mijn vaderland en mijn vrienden. Als wij de wapens dragen, kan niemand ons weerstaan. >> Bubulcus: << Maar als de Romeinen ons pakken... >> Lentus: << Het is beter in een graf te liggen dan in de villa van onze heer te zijn. >> Florus: << Sst ! Zwijgt. De meester komt met de kinderen uit het bos en hij nadert de tempel en de rivier. >>