Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Roma > Boek 2

Hoofdstuk 17, tekst C (DH): Rhea Silvia

1Zij was (gedwongen) Vestaalse maagd geworden.
2aRegel 1-3, regel 6-7 en regel 12.
bQuadam nocte, deinde, tum, postera luce.

Nu was Rhea Silvia, de dochter van Numitor, Vestaalse maagd.
Dagelijks vervulde ze de taken van een Vestaalse maagd met de grootste zorg.
Dikwijls was ze ongelukkig, omdat ze haar vader en broer miste.
Op een nacht, toen ze huilend eindelijk in slaap gevallen was,
5verscheen in haar slaap de gedaante van een onbekende man aan haar.
Hij had een zwarte baard. Hij droeg een helm, schild (en) een lans.
Zijn gelaat straalde met een merkwaardige glans.
Vervolgens naderde hij het bed, waarin (in welke) Rhea sliep, en zei:
‘O meisje, waarom ben je zo ongelukkig? Waarom huil je aan één stuk door?
10Ik ben Mars. Ik zal je helpen. Vertrouw mij. Niet (lang) meer zul je alleen zijn.Â’
Toen boog hij zich over haar heen en gaf (haar) veel kussen.

De volgende dag werd Rhea blij uit haar slaap wakker .
Ze was niet meer alleen! Ze had een god als vriend!


3Het voorzetsel cum staat tussen het bijv. nw en het zelfst. nw in plaats van ervoor.
4Dativus ev.
5Het object bij appropinquare staat in de dativus.
6De god van de oorlog.
8Ze moesten ervoor zorgen dat het vuur in de tempel van Vesta niet uitging.
9Ze miste haar vader en broer.
10Anafoor (cur).
11a 17.6 Voor de tempel van Vesta.
17.7 In haar droom.
17.8 Bij een waterput.
b17.8 Daar nadert Mars Rhea Silvia in haar droom.