Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Roma > Boek 1

Hoofdstuk 13, tekst D: De dood van Dido

Intussen had de koningin onder de blote hemel een brandstapel opgericht, waarop ze de kleding van Aeneas had neergelegd:
zowel het zwaard, dat ze ooit van Aeneas had gekregen,als ook een afbeelding van de man en het bed,
waarin ze vaak hadden geslapen. Zenuwachtig beklom ze deze brandstapel.
Ze nam het zwaard en sprak haar laatste woorden:
"Lieve resten, neem dit leven.
De levensloop, die het lot had gegeven, heb ik voltooid.
Nu zal ik als schim onder de aarde gaan.
Ik heb een prachtige stad gesticht, mijn muren heb ik gezien.
Ik zou gelukkig zijn geweest, als de Trojaanse schepen nooit mijn kust hadden bereikt. Maar laten we nu sterven. Zņ wil ik sterven." (lett.: Zo,zo bevalt het me naar het schimmenrijk te gaan.) Zo sprak zij.
Vervolgens vervloekte zij Aeneas en midden onder deze woorden doorboorde zij haar borst met het zwaard.

Zodra Anna dit hoorde kwam ze aanrennen.
Ze beklom de brandstapel, hield haar zuster vast op haar schoot en stelpte het donkere bloed met haar kleed.
Driemaal probeerde Dido zich op te richten en driemaal rolde zij in het bed terug. (lett.: is zij in het bed terugggerold)
Zņ schrijnde de wond in haar borst.
Toen zocht zij met dwalende ogen het licht aan de hemel
en, nadat zij het had gevonden, zuchtte ze.
Zo verliet het leven het lichaam van Dido.