Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Plinius

Boek 6, epistula 20: Plinius groet zijn Tacitus.

Je schrijft dat de brief, waarin ik op jouw aandringen heb verteld hoe mijn oom gestorven is, voor jou aanleiding is geweest om te willen vernemen wat voor angsten en gevaren ik zelf heb doorstaan, ik die hij in Misenum had achtergelaten. Tot zover was ik inderdaad gekomen toen ik mezelf onderbrak. "Hoewel mijn ziel huivert bij de herinnering, zal ik beginnen".
Na het vertrek van mijn oom bracht ik de rest van de tijd door met werken - met die bedoeling was ik ook thuis gebleven. Daarna baden, eten en een korte, onrustige slaap. Reeds vele dagen hadden wij, als voortekens van wat komen zou, aardschokken gevoeld, die niet zo angstaanjagen waren omdat men er in Campanië aan gewoon is. Maar die nacht waren ze zo krachtig dat het leek alsof alles niet meer trilde, maar ondersteboven werd geworpen. Mijn moeder kwam mijn kamer binnengerend; zelf was ik bezig op te staan, vastbesloten haar te wekken als ze nog zou slapen.
We gingen op het terras van het huis zitten, een smalle ruimte die uitkeek over de zee. Ik aarzel om te spreken over mijn overmoed en onvoorzichtigheid - ik was dan ook pas zeventien! Ik liet een boek van Livius halen en begon te lezen, ja, zelfs samenvattingen te maken, iets waarmee ik al eerder begonnen was, alsof ik niets anders te doen had...
Er kwam een vriend van mijn oom, zopas uit Spanje teruggekeerd om hem te bezoeken. Toen hij me daar met mijn moeder zag zitten en merkte dat ik aan het lezen was, verweet hij mij mijn zorgeloosheid en haar haar passieve houding; ik bleef echter geheel verdiept in mijn lectuur.
Reeds was het eerste uur van de dag aangebroken, en het licht was nog vaag en vaal. De muren van de gebouwen begonnen te scheuren en hoewel we in de open lucht waren, deed de beperktheid van de ruimte ons vrezen voor grote en onontkoombare gevaren bij een instorting. Pas toen besloten we de stad te verlaten; een diep geschokte menigte mensen volgde ons. Ze volgde liever anderen dan zelf een beslissing te nemen - in angst staat dat inderdaad gelijk met voorzichtigheid! Een reusachtige stoet duwde en drong ons vooruit.
Toen we eenmaal de stad achter ons hadden, hielden we halt en daar kregen we heel wat verrassingen, heel wat verschrikkingen te verduren. De wagens die we meegenomen hadden, werden namelijk in alle richtingen voortbewogen hoewel het terrein volkomen vlak was. Zelfs toen ze met stenen waren vastgezet, bleven ze niet op hun plaats. Bovendien zagen we dat de zee zich terugtrok, alsof ze door aardschokken werd teruggeduwd. Het strand was breder geworden, en op het drooggekomen zand lagen allerlei zeedieren. Aan de overkant scheurde een angstaanjagende, rode wolk vaneen, die doorkruist werd door bliksemschichten en glinsterende vuurvonken; ze vormde langgerekte tongen van vuur, die op bliksemstralen leken, maar groter waren.
Toen begon de vriend uit Spanje sterker aan te dringen. \"Als jouw broer, als jouw oom nog leeft", zei hij, "zal hij zeker willen dat jullie leven gered wordt. Als hij omgekomen is, dan zou het ongetwijfeld zijn wens zijn geweest dat jullie hem zouden overleven. Waarom aarzelen jullie toch om te vluchten?" Wij antwoordden dat we ons niet om onszelf bekommerden zolang we niets van hem afwisten. Zonder nog langer te talmen rende hij weg, en ontsnapte aan het gevaar.
Kort daarop daalde die rode wolk op aarde neer en bedekte de zee; ze had Capri omhuld en aan onze blikken onttrokken, en versluierde kaap Misenum. Toen begon mijn moeder me te smeken, me aan te sporen, me te bevelen zo snel mogelijk te vluchten: voor mij, die jong was, was dit nog mogelijk; zij kon dat niet meer vanwege haar leeftijd en haar omvang, maar ze zou tevreden sterven als ze niet de oorzaak van mijn dood zou zijn geweest. Ik antwoordde daarop dat ik slechts mét haar wilde vluchten. Ik nam haar bij de hand en dwong haar wat vlugger te lopen. Met tegenzin gehoorzaamde ze en verweet zich dat ik om harentwille mijn pas moest inhouden.
Op dat ogenblik viel er al as, al was het dan niet in grote hoeveelheden. Ik keerde me om; een dikke, zwarte nevel kwam op ons af en volgde ons als was het een zich over de grond verspreidende stroom. \"Laten we van de weg gaan," zei ik, "zolang we nog iets kunnen zien, om niet onder de voet gelopen te worden in de duisternis door die vluchtende mensenzee!"
Nauwelijks hadden we ons naast de weg neergezet of het werd nacht, niet op de manier van een maanloze nacht bij veel bewolking, maar zoals wanneer men in een afgesloten ruimte zit zonder enig licht. We hoorden gekerm van vrouwen, geschrei van zuigelingen, getier van mannen; sommigen zochten roepend hun vader en moeder, anderen hun kinderen, weer anderen hun echtgenoten van wie ze de stem trachtten te herkennen. Sommigen bejammerden hun eigen ongeluk, anderen dat van hun familieleden. Er waren er die, uit vrees voor de dood, de dood aanriepen. Velen hieven hun handen in gebed tot de goden, terwijl meer dan één verklaarde dat er geen goden meer waren, dat deze eeuwigdurende nacht de laatste zou zijn.
Het ontbrak evenmin aan mensen die de bestaande gevaren nog groter maakten door onware geruchten te verspreiden. Er kwamen mensen die vertelden dat een bepaald gebouw in Misenum was ingestort, dat een ander gebouw in brand stond. Het was wel niet waar, maar er waren er maar al te veel die het gretig geloofden en doorvertelden.