Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Plato

Allegorie van de grot

2.1 De mensen geboeid in de grot

Daarna nu, zei hij, moet je (imp) onze eigen natuur wat betreft geestelijke ontwikkeling en het gebrek daaraan vergelijken met een dergelijke toestand: Stel je eens voor (imp) mensen die zich als het ware in een onderaardse, grotachtige woning bevinden, hebbende een open toegangsweg naar het licht, diep, langs de hele lengte van de grot, die zich daarin bevinden van jongs af aan, in de boeien geslagen aan de benen en de nekken, zodat zij op hun plaats blijven en alleen vooruit kunnen kijken, door de boeien om de hoofden zijn ze niet in staat zich om te draaien, en ten tweede licht van vuur dat brandt ten behoeve van hen ver weg boven hen achter hen en tussen het vuur en de gevangenen loopt een weg naar een hoger niveau en stel je tenslotte eens voor dat daarlangs een muurtje is gebouwd, zoals bij poppenspelers voor de mensen de schermen staan waarboven zij hun kunsten vertonen. Ik zie het zei hij.

2.2 Wat de gevangenen zien en horen

Blijf je nu voorstellen (duratief) dat mensen langs dat muurtje allerlei voorwerpen dragen (acp) die uitsteken boven het muurtje en ook standbeelden en ook andere levende wezens die van steen en van hout en andere materialen zijn gemaakt, terwijl zoals voor de hand ligt sommigen van de mensen die de beeldjes voorbijdragen spreken en anderen zwijgen. Vreemd zei hij, je spreekt over een ongewone afbeeldingen en over ongewone gevangenen. Wij zijn gelijk aan gevangenen, zeg ik. Want in de eerste plaats meen jij dat de mensen die in die situatie verkeren (nooit) iets anders hebben gezien (an pf inf) dan hun schaduwen van henzelf en van anderen door het vuur dat wordt geworpen en op de recht tegenover hen liggende want van de grot. Want hoe zouden ze dat kunnen, zei hij, als (ei) ze inderdaad hun hele leven lang gedwongen worden de hoofden onbeweeglijk te houden (inf). Wat zeg je van de voorwerpen is daarmee niet hetzelfde geval? Zeer zeker. Als (ei) ze nu in staat waren met elkaar te praten denk je dan niet dat ze wat ze zien als de werkelijkheid zouden beschouwen (an) ? Dat moet wel. Stel je nu verder eens voor dat de gevangenis aan de kant van de recht tegenover hen liggende wand ook een echo zou hebben (an) wanneer nu iemand van degenen die voorbijgaan. Denk je dan dat zij als bron van het geluid iets anders zullen vinden (an inf futuralis) dan de voorbij lopende schaduw? Dat denk ik niet, bij Zeus, zei hij. Mensen in die situatie, zei ik, zullen helemaal niets anders als de waarheid beschouwen (an) dan de schaduwen van de voorwerpen. Dat is absoluut noodzakelijk, zei hij.

2.3 Een gevangene wordt losgemaakt binnen de grot en de gevolgen daarvan.

Kijk nu, zei ik, naar een bevrijding van boeien en naar een genezing van het onverstand van hen, wat voor een iets dat zou kunnen zijn (an opt 3 ev), als zo een bevrijding heb zou overkomen in overeenstemming met de menselijke natuur. Wanneer (opote + opt) een van hen zou worden losgemaakt (opt 3 ev) en hij zou worden gedwongen plotseling op te staan en zijn nek om te draaien en zou moeten hopen en zou moeten opkijken naar het licht van het vuur (dat bovenaan brandt) en als hij dan, wanneer hij al die dingen doet, pijn zal lijden en door de schitteringen niet in staat zou zijn de dingen duidelijk te onderscheiden, waarvan (gen mv onz) hij toen alleen de schaduw zag, wat denk je dat hij dan wel zegt (inf), als iemand tegen hem zou zeggen dat hij toen geen werkelijkheid zag, maar nu iets meer dichter bij de werkelijkheid was en de blik gericht op meer werkelijke dingen, correcter zag en in het bijzonder als hij gedwongen wordt elk van de aan hem getoonde voorwerpen als die iemand terwijl hij hem in het bijzonder elk van de voorwerpen afzonderlijk toont en hem zou dwingen door te vragen te antwoorden wat het precies is en denk je dat hij denkt dat datgene wat hij toen zag werkelijker is, dan wat er nu wordt getoond. En denk je ook niet dat als iemand hem zou dwingen precies tegen het licht in te kijken, dat hij dan pijn aan zijn ogen zou hebben en dat hij ervandoor zou gaan door zich om te draaien naar die dingen die hij wel duidelijk kan onderscheiden en dat hij meent dat die dingen in feite duidelijker zijn dan dat wat hem getoond wordt. Dat is juist.

2.4 Een gevangene wordt buiten de grot gebracht en de gevolgend daarvan

En als, zei ik, iemand hem daarvandaan zou trekken over een ruwe en steile weg omhoog en hem niet los zou laten voordat hij hem eruit had gesleept naar het licht van de zon, denk je dan niet dat hij pijn zal lijden en zich op zal kunnen winden omdat hij getrokken wordt wanner hij in het licht is gekomen met zijn ogen vol glans, dat hij zelfs niet ťťn van wat nu waar is kan zien. Hij zal dat inderdaad niet, zo plotseling tenminste, kunnen zien, zei hij. Het schijnt mij dus toe dat hij gewenning nodig zal hebben, als hij de wereld boven zou willen zien. En in de eerste plaats zal hij het gemakkelijkst de schaduwen kunnen onderscheiden en na dit de afspiegelingen in het water, van de mensen en de andere dingen en tenslotte de dingen zelf. Onmiddellijk daarna zal hij de hemellichamen en de hemel zelf Ďs nachts gemakkelijker kunnen zien, kijkend naar het licht van de sterren en de maan, gemakkelijker dan de zon en het zonlicht overdag.
Ja natuurlijk.
En als laatste denk ik, kan hij de zin, niet in het water en niet als weerspiegeling daarvan op een vreemde plaats, maar zelf op zijn eigen plaats, kunnen zien zoals die is.
Dat moet dus wel.
En daarna zal hij eindelijk concluderen dat de zon zoals zij is, de seizoenen verschaft en de jaren en alles in de wereld van het zichtbare bestuurd en dat zij verantwoordelijk is voor al die dingen die zij zagen op een of andere manier.
Het is duidelijk, zei hij, daarna tot die conclusie zal komen.

2.5 De bevrijde gevangene vergelijkt de wereld buiten de grot met die binnen de grot.

Wat volgt daaruit? Denk je dan niet dat hij, terwijl hij zich zijn eerste woning herinnert en de kennis van toen en zijn medegevangenen, zichzelf gelukkig kan prijzen om de veranderingen en met hen medelijden kan hebben?
Jazeker.
Aks er enkele eerbewijzen en lofuitingen waren en geschenken voor degene die het meest scherp de voorbijgaande schaduwen van de voorwerpen zag en voor degene die zich het best herinnerde al wat er daarvan eerder en later en tegelijkertijd gewoon was voorbij te gaan en voor degene op grond daarvan op de meest efficiŽnte wijze voorspelde wat er zou komen, denk je dan dat hij, daarnaar zou kunnen verlangen en jaloers zou zijn op degenen die bij hen geŽerd worden en die in hoog aanzien staan of (denk je dat hij) de woorden van Homeros zou ervaren en zeer graag dagloner wil zijn, zijnde een landarbeider, voor een ander zonder erfdeel en war dan ook liever zou ervaren dan die meningen er op na te houden en op die manier te leven?
Zo meen ik, zei hij, dat hij wel alles liever zou willen ervaren dan zo te leven.

2.6 Terug in de grot

Bedenk dan ook het volgend, zei ik, als de man in die situatie verkeert en op dezelfde plaats gaat zitten, zou hij dan niet de ogen geheel gevuld met duisternis hebben, komend plotseling uit de zon.
Jazeker, zei hij.
En als het nodig is dat hij, terwijl hij die schaduwen dan weer onderscheid, wedijvert met zij die steeds gevangen zijn geweest, terwijl hij slecht ziet, voordat zijn ogen zich hebben aangepast en als die tijd van aanpassing niet erg gering zou zijn, zou hij zichzelf dan niet belachelijk maken en zou er dan niet over hem gezegd worden, dat hij, nadat hij naar boven is gegaan, is terug gekomen, verpest war betreft zijn ogen. En dat het niet de moeite loont om ook maar te proberen omhoog te gaan. (En denk je ook niet dat degene die steeds gevangen zijn geweest) zouden doden degene die probeert hen los te maken en naar boven te brengen, als ze op een of andere manier hem in hun handen konden krijgen en hem konden doden.
Jazeker, zei hij.

2.7 Uitleg

Nu is het nodig dat jij deze vergelijking in zijn geheeld, mijn vriend Glaukos, in verband brengt met dat wat er al eerder gezegd is, door de zintuiglijk waarneembare wereld gelijk te stellen met de woning van de gevangenis en door het vuur gelijk te stellen aan het licht van de zon. Door de weg omhoog en het aanschouwen van de wereld boven te beschouwen als (+ dubbele acc) de weg omhoog van de ziel naar de kenbare wereld, zul jij precies de kern treffen van mijn veronderstelling, omdat je ernaar verlangt te horen. Alleen god weet of mijn stelling ook inderdaad waar is. In elk geval, wat mij toeschijnt is dat in de kenbare wereld de Idee van het Goede met veel moeite zichtbaar wordt en men tot de conclusie moet komen dat de Idee van het Goede, nadat ze gezien -ja werkelijk- verantwoordelijk is voor al het juiste en mooie in de wereld van het zichtbare en de oorsprong van het zonlicht heeft voortgebracht, in de kenbare wereld zelf oppermachtig is en de waarheid en het inzicht mogelijk maakt en dat het mogelijk is haar te zien en meer verstandig te handelen in prive sfeer of in het openbaar. Ik ben van dezelfde mening, zei hij, en ik, voor zover ik tenminste kan.

2.8

Kom nu, zei ik, en wees het ook eens met het volgende en verbaas je er niet over dat degene die daarheen zijn gekomen niet de dingen van de mensen willen doen, maar dat hun zielen er naar verlangen om altijd daarboven te blijven, dat ligt toch denk ik wel voor de hand als tenminste ook in dit geval de situatie in overeenstemming is met de hiervoor genoemde vergelijking.
Dat ligt inderdaad voor de hand, zei hij.
En verder? Denk je dan, dat het volgende iets verwonderlijks is, zei ik, als iemand die vanuit de beschouwing van het goddelijke is gekomen naar de menselijke onvolkomenheden, zich geen houding weet te geven en een zeer belachelijke indruk maakt, omdat hij nog slecht ziet en omdat hij, voor hij voldoende gewend is geraakt aan de aanwezige duisternis wordt gedwongen in een rechtbank of ergens anders te discusseren over de schaduwen van het recht of de beeltenissen waarvan de schaduwen afkomstig zijn en te bekvechten over de vraag hoe eigenlijk dat wordt uitgelegd door degenen die de idee van rechtvaardigheid zelf nog nooit hebben gezien? Niet in het minst is dat verwonderlijk, zei hij.

2.9 De houding van de filosoof

Maar als iemand verstand heeft dan zal hij herinneren dat voor de ogen twee vertroebelingen zijn en ten gevolge van twee oorzaken: van mensen die zich verplaatsen vanuit het licht naar het donken en het donker naar het licht. Door de meningen op te vatten dat diezelfde dingen zich ook in het geval van de ziel voordoen, zal men wel niet onbezonnen lachen wanneer men ziet dat een of andere ziel in verwarring wordt gebracht en niet in staat is om iets te zien, maar hij zal waarschijnlijk bekijken of de ziel door ontwenning verduisterd is omdat zij uit een helderder leven is teruggekomen of dat zij door een grote flikkering vervuld is omdat ze vanuit een grotere onwetendheid naar het heldere gaat; zo zal men waarschijnlijk de ene ziel gelukkig prijzen om zijn toestand en levenswijze (namelijk de ziel die de Idee van het Goede heeft aanschouwd) en hij zal medelijden hebben met de andere ziel en als iemand om haar wil lachen dan zal wel zijn lachen minder belachelijk zijn dat het lachen om de ziel die van boven uit het licht is gekomen. Ja wel zeer gepast zeg jij dit, zei hij.