Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 4: Boek 1

Hoofdstuk 13, tekst B: Menelaos en Helena

Ook Menelaos nam deel aan de verwoesting van Trojie. Hij vernietigde zoveel mogelijk Trojanen, terwijl hij zocht naar zijn vrouw, Helena; want hij was vooral boos op haar en wilde haar doden.

Dus toen Helena Menelaos van verre zag, vluchtte ze met zeer grote angst voor haar man, maar hij ontging niet aan haar. Hij achtervolgde haar en tilt me zijn hand zijn zwaard op. Maar ze viel bij zijn knieën en smeekte hem met deze woorden: 'Liefste man, dood mij niet maar heb medelijden. Want ik ben niet slecht, maar ik ben nu dezelfde vrouw als vroeger. Die Aphrodite is zelf de oorzaak van deze rampen van mij. Want door die godin kwam ik duidelijk hierheen en dat ik nu in dit huis van Priamos woon. Heb dus vergiffenis aan mij. Want ik houd alleen van jou en alleen aan jou - niet aan een andere man - zal ik aan jou de trouwste vrouw zijn!'

Met die woorden smeekte Helena hem om haar niet te doden, en Menelaos aarzelde: 'Moet ik haar doden of niet? Duidelijk is dat ze zeer mooi is en gelijk is aan een of andere godin!'

Zijn zwaard viel uit zijn hand en Menelaos vergeeft haar: want hij houdt ook nu nog van zijn vrouw.