Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 9 Sokrates 1E: Sokrates ondervraagt de dichters

Want na de politici ging ik naar de dichters van tragedies, van dithyramben en de anderen, in de overtuiging dat ik mijzelf er op heterdaad op zou betrappen dat ik minder wijs was dan zij. Terwijl ik dus van hen de gedichten, die mij het meest door hen met zorg vervaardigd leken, ter hand nam, vroeg ik hun telkens wat zij bedoelden, zodat ik tegelijkertijd ook iets van hen zou leren. Welnu, ik schaam mij, heren, om jullie de waarheid te zeggen: maar toch moet ik het zeggen. Bijna alle aanwezigen spraken om zo te zeggen namelijk beter dan zij over de dingen, die zij zelf gemaakt hadden. Het kostte mij dus weer niet veel tijd om over de dichters dat te ontdekken, namelijk dat zij, wat zij gemaakt hadden, niet door middel van wijsheid hadden gemaakt, maar door middel van een of andere natuurlijke aanleg en ge´nspireerd, zoals de waarzeggers en de orakelzangers; ook die zeggen namelijk veel mooie dingen, maar ze begrijpen niets van wat ze zeggen. Volgens mij bleken ook de dichters in zo'n toestand te verkeren, en tegelijkertijd merkte ik dat zij door hun dichtkunst meenden ook verder de slimste mensen te zijn, hetgeen ze niet waren. Ik ging dus weg en daarom meende ik [hen] in hetzelfde te overtreffen als waarin ik ook de politici [overtrof].