Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 9 Plato Politeia 2D: Een gevange wordt buiten de grot gebracht

Als, zei ik, iemand hem met geweld daarvandaan zou slepen langs de hobbelige, steile weg omhoog, en hem niet zou loslaten voordat hij hem eruit zou hebben gesleept naar het licht van de zon, denk je dan niet dat hij pijn zou lijden en zich hevig zou opwinden wanneer bij werd meegesleurd, en dat hij, wanneer hij bij het licht is gekomen, zijn ogen vol van schittering hebbende zelfs niet een ding zou kunnen zien van wat nu werkelijk wordt genoemd? Inderdaad zou hij niet kunnen zien, zei hij, zo plotseling tenminste. Hij zou gewenning, denk ik, nodig hebben, als hij de wereld boven wil zien. En eerst zou hij het makkelijkst de schaduwen kunnen onderscheiden, en hierna de weerkaatsingen van de mensen en die van de andere dingen in het water en later de dingen zelf; daarna zou hij gemakkelijker de hemellichamen en de hemel zelf 's nachts kunnen aanschouwen, kijkend naar het licht van de sterren en van de maan, dan overdag de zon en het licht van de zon. Natuurlijk. Als laatste, denk ik, zou hij de zon, niet in het water en niet de weerspiegelingen van hem in een vreemde plaats, maar zelf op zichzelf op zijn eigen plaats kunnen aanschouwen en bekijken hoe hij is. Dat is noodzakelijk, zei hij. En hierna zou hij pas over hem kunnen concluderen dat hij degene is die de seizoenen verschaft en de jaren en alle dingen bestuurt in de zichtbare wereld en oorzaak is van al die dingen die zijzelf op een bepaalde manier zagen. Het is duidelijk, zei hij, dat hij na die stadia tot die conclusie zou kunnen komen.