Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 9 Plato Politeia 2B: Wat de gevangenen zien en horen

Stel je nu verder voor dat mensen langs dat muurtje allerlei voorwerpen dragen die boven het muurtje uitsteken en standbeelden, en andere levende wezens van steen en van hout en van allerlei andere materialen gemaakt, terwijl sommigen van degenen die dragen, zoals voor de hand ligt, praten en anderen zwijgen. Een vreemde vergelijking, zei hij, zeg je en over vreemde gevangenen spreek je. Gelijk zijn aan ons mensen, zei ik. Want denk jij dat mensen die in die situatie verkeren in de eerste plaats iets anders van zichzelf en van elkaar gezien kunnen hebben dan de schaduwen die door het vuur op de recht tegenover hen liggende wand van de grot geworpen worden? Natuurlijk niet, zei hij, als zij inderdaad gedwongen zijn hun hoofden onbeweeglijk te houden hun hele leven lang. Wat zeg je van de dingen die langs worden gedragen? Is daarmee niet hetzelfde het geval? Zeer zeker. Als zij in staat waren met elkaar te praten, denk jij dan niet dat zij die dingen die zij nu precies zien als de werkelijkheid beschouwen? Dat is noodzakelijk. Stel nu verder eens dat de gevangenis van de recht tegenover liggende wand ook echo heeft. Wanneer iemand van degenen die langs lopen zou praten, denk je dat zij iets anders als de bron van het geluid zouden beschouwen dan de passerende schaduw? Bij Zeus dat denk ik niet, zei hij. Zeer zeker, zei ik, zouden dergelijke mensen niet iets anders als de waarheid beschouwen dan de schaduwen van de voorwerpen. Dat is absoluut noodzakelijk, zei hij.