Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 7 Euripides Medea 3C: Medea weet zich nergens welkom

Medea: Kom; want ik zal je raadplegen alsof je een vriend bent - wat voor succes denk ik bij jou te hebben? Maar toch; want wanneer jou die vraag gesteld is, zal je schandelijker blijken. - waarheen moet ik mij nu richten? Naar het huis van mijn vader, dat ik, evenals mijn vaderland, verraden heb toen ik hierheen kwam? Of naar de ongelukkige dochters van Pelias? Ze zouden me dan wel graag ontvangen in hun huis, van wie ik de vader heb gedood. Want zo is het: voor de familie thuis ben ik een vijand, en diegenen die ik niet slecht had moeten behandelen, heb ik als vijanden door jou een dienst te bewijzen. Daarom maakte je mij in de ogen van vele Griekse vrouwen gelukkig als dank hiervoor; jou heb ik als bewonderenswaardige en trouwe echtgenoot, arme ik, als ik in ballingschap zal gaan, terwijl ik het land ben uitgezet, verlaten van familie, ik alleen, alleen met mijn kinderen - een mooie schande is het voor de kersverse bruidegom dat zijn kinderen als bedelaars rondzwerven en ik die jou redde. Oh Zeus, waarom gaf je van goud dat onecht is duidelijke kenmerken aan de mensen, maar is er bij de mannen op het lichaam geen stempel aanwezig waarmee men een slecht man moet onderscheiden?

Koor: Verschrikkelijk en moeilijk te genezen is een woede, wanneer dierbaren ruzie krijgen met dierbaren.