Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 7 Euripides Bakchai 4C: De mainaden zien Pentheus

Bode:
Maar zij stonden rechtop, terwijl ze met hun oren een klank niet duidelijk opvingen, en zij keken om zich heen. Dionysos beval opnieuw; en toen de dochters van Kadmos de aansporing van Bakchos duidelijk herkenden, snelden zij even snel als duiven voort, terwijl ze met krachtige passen renden, zijn moeder Agaue, alle volle zusters en de bakchanten; ze sprongen door het dal met een wilde stroom en steile rotsen (heen), bezeten door de adem van de god. Toen ze de meester, die op de den zat, zagen, wierpen zij eerst stenen, met krachtige zwaai geworpen, naar hem, nadat ze op een torenhoge rots waren gegaan (geklommen) en hij bekogelde hen met dennentakken. De anderen gooiden hun thyrsosstaffen door de lucht naar Pentheus, het ellendige geschut. Maar zij hadden geen succes. Immers ver buiten het bereik voor hun blinde ijver, zat hij ongelukkig, bevangen door moeilijkheid. En tenslotte, terwijl ze bliksemsnel eikentakken afbraken, trokken zij wortels omhoog met hefbomen die niet van ijzer waren. Maar toen ze het eind (doel) van hun inspanningen niet bereikten, zie Agaue: "Vooruit, ga in een kring erom heen staan en grijp de stam, mainaden, opdat we het naar boven geklommen beest grijpen en opdat hij niet de geheime dansen van de god verraadt." En zij legden talloze handen op de den en trokken hem omhoog uit de grond. En hoog zittend, viel hij, nadat hij uit de hoogte tegen de grond was gegooid, op de grond met talloze jammerklachten, Pentheus; want hij begreep dat hij dichtbij een ramp was.