Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 7 Euripides Bakchai 3A: Brute taal van Pentheus

Koor (mainaden): Ik ben bang om deze woorden vrijuit te zeggen tegen de tiran, maar toch zal ik het eens en voor altijd gezegd zijn. Dionysos doet voor geen enkele god onder.
Pe: Dit overmoedig gedrag bij de Bakchanten grijpt al dichtbij als vuur om zich heen, je bent een grote schande voor de Grieken. Maar het is niet nodig om te aarzelen; ga naar de Elektrapoort; beveel alle schilddragende ruiters van de snelvoetige paarden aan te treden en alle die met hun kleine schilden zwaaien en de pezen van de bogen spannen met de hand, om de Bakchanten aan te vallen, want dit gaat werkelijk te ver als wij lijden (vrouwen in bergen, chaos) wat wij (de koning, de stad) lijden van de kant van de vrouwen.
Di: Je gehoorzaamt helemaal niet, terwijl je naar mijn woorden luistert, Pentheus, terwijl ik door jou kwaad te verduren heb, zeg ik dat jij geen wapens gebruikt om het op te nemen tegen de god, maar rustig te blijven; Bromios zal het niet verdragen dat jij de Bakchanten verjaagt uit de bergen gevuld met de euoi-kreet.
Pe: Jij gaat mij toch geen advies geven, hoewel je geboeid bent? Wil je deze vrijheid behouden, of zal ik jou weer straffen?
Di: Ik zou maar offeren aan hem liever dan, terwijl ik boos word, me zinloos te verzetten tegen de god, terwijl ik een sterveling ben.
Pe: Ik zal nadat ik een moord onder de vrouwen heb gepleegd, offeren, zoals zij het waard zijn, terwijl ik veel teweegbreng in de dalen van Kithairon.
Di: Jullie zullen allemaal op de vlucht slaan en dat is schandelijk, wanneer de schilden uit brons gedreven op de vlucht gaan voor de thyrsosstaf van de Bakchanten.
Pe: Met deze onhandelbare vreemdeling, die onder geen enkele omstandigheid zal zwijgen, raken wij verstrikt.