Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 3 Loukios of de ezel 6C: Eind goed, al goed

En de gouverneur zei ‘Zeg ons je naam en van je ouders en verwanten, voor het geval dat je zegt dat je enige verwanten hebt, en je stad.’ En ik zei ‘ ik heb de naam Loukios, mijn broer heeft de naam Gaios. En ik ben schrijver van wetenschappelijk publicaties en van andere geschriften, hij is dichter van klaagliederen en een goede ziener; onze vaderstad is Patras in Achaia.’ De gouverneur zei nadat hij deze dingen gehoord had ‘Je bent een zoon van een aan mij allermeest bevriende man, en van gastvrienden die mij in huis ontvingen en mij vereerden met geschenken en ik weet, dat jij helemaal niet liegt omdat jij een kind van hen bent. En nadat hij opgesprongen was van zijn zetel omhelsde hij mij, gaf veel kussen en bracht me naar zijn eigen huis. Ondertussen kwam ook mijn broer aan die zilver en veel andere dingen voor mij meebracht, en ondertussen liet de gouverneur mij in het openbaar vrij, terwijl allen luisterden. En nadat wij gegaan waren naar de zee, keken wij uit naar een schip en wij brachten de bagage aan boord.