Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 1: boek 3

Hoofdstuk 2 Aisopos 2B: De visser en het sprotje

Een visser bracht een sprotje omhoog, nadat hij het visnet in de zee had neergelaten. Het sprotje, dat klein was, smeekte hem haar nu niet te vangen, maar haar te laten gaan, omdat ze zo klein was. 'Maar wanneer ik gegroeid ben en groot geworden ben,'zei ze, 'zul je me kunnen vangen, aangezien ik dan voor jou ook tot groter nut zal zijn.' En de visser zei: 'Maar ik zou stom zijn, als ik, nadat ik de winst in mijn handen, ook al is hij klain, heb laten gaan, zou hopen op de toekomstige buit, ook al is hij groot.' De fabel maakt duidelijk dat dom zou zijn, degene die door hoop op iets groters de dingen die in zijn handen zijn laat schieten, omdat ze klein zijn. Spreekwoord: Beter een vogel in de hand, dan tien in de lucht