Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Ovidius

Tristia I,3: Afscheid van Rome

Wanneer het zeer droeve beeld (mij) voor de geest komt van die nacht, waarin voor mij het allerlaatste moment in Rome viel/was, wanneer ik (mij) de nacht weer voor de geest haal, waarin ik zoveel mij dierbare dingen heb achtergelaten/verlaten, glijdt er ook nu nog een traan uit mijn ogen. Reeds war er al bijna het licht (van de dag), waarop Caesar (Augustus) mij bevolen had weg te gaan uit/voorbij de uiterste grenzen van Italia. Noch was er genoeg tijd noch zin geweest, om voorbereidingen te treffen: ons hart was verlamd door het lange wachten/uitstellen. Niet bekommerde ik mij om slaven, niet om het uitkiezen van metgezellen, niet om kleding of benodigdheden, geschikt voor/passend bij een balling. Ik was niet anders verbijsterd/in een roes, dan iemand die (nog) leeft nadat hij door de bliksem van Iuppiter getroffen is en zelf zich niet van zijn eigen leven bewust is. Toen toch het verdriet zelf deze wolk/nevel van mijn mijn geest verdreef, en eindelijk mijn zinnen weer op kracht kwamen, sprak ik op het punt staande te vertrekken voor de laatste maal mijn bedroefde vrienden toe, die (nog) van de zopas velen met een paar aanwezig waren. Mijn liefhebbende vrouw hield mij, terwijl ik huilde en terwijl zijzelf nog harder huilde, vast, terwijl er aan één stuk door een tranenstroom over haar wangen, die dat niet verdienden, viel. Mijn dochter was ver van ons gescheiden op de Lybische kusten en kon niet op de hoogte zijn van mijn lot. Waarheen je ook maar zou kijken, (daar) weerklonken rouwmisbaar en jammerklachten en binnenshuis had het de aanblik van een niet stille/zeer luidruchtige begrafenis. Vrouw en man, ook de kinderen, treurden over mijn begrafenis, en in het huis had elk hoekje tranen. Als het geoorloofd is voor kleine dingen grootse voorbeelden te gebruiken, dit was de aanblik van Troje, toen het ingenomen werd.

En reeds kwamen de stemmen van mensen en honden tot rust, en de maan, hoog (aan de hemel), bestuurde haar nachtelijke paarden. Terwijl ik naar haar omhoog keek en bij haar licht het Capitool onderscheidde, dat tevergeefs grensde aan onze Lar (=huis), zei ik: " U goden, die de naburige zetels bewonen, en tempels die nooit meer door mijn ogen gezien moeten/mogen worden, en u, goden, die verlaten moeten worden, aan wie de hoge stad van Quirinus een woonplaats biedt, weest voor altijd gegroet door mij! En, hoewel ik (te) laat mijn schild opneem tegen de verwondingen, bevrijdt toch deze vlucht van haatgevoelens en zegt tegen de hemelse man welke vergissing mij misleid/bedrogen heeft, opdat hij het niet meent dat er sprake is van een misdaad in plaats van schuld/een (ongewilde) fout. Zodat de veroorzaker van de straf ook inziet wat jullie weten, wanneer de god gunstig is gestemd kan ik niet ongelukkig zijn." Met dit gebed riep ik de (hemel)goden aan: mijn vrouw (riep hen aan) met meer (gebeden), terwijl haar gesnik haar midden in haar woorden belemmerde/onderbrak. Zij raakte zelfs, met loshangende haren voor de Laren uitgestrekt op de grond liggend, met trillende mond het uitgedoofde altaar(vuur) aan en zij stortte veel woorden uit over de ongunstig gezinde Penaten, (woorden) die niets zouden vermogen/teweegbrengen ten gunste van haar bejammerde man.

En reeds stond het ten einde spoeden van de nacht geen moment (van) uitstel meer toe en was de Grote Beer al om zijn as gedraaid. Wat had ik moeten doen? Ik werd (steeds maar) weerhouden door de innige liefde voor mijn vaderland: maar dat was de (aller)laatste nacht voor de bevolen vlucht. Ach! Hoe vaak heb ik gezegd, wanneer iemand me zei me te haasten: "Waarom dring je aan? Ga eens na waarheen jij mij haast te gaan, of waarvandaan!" Ach! Hoe vaak heb ik gelogen dat ik een vastgesteld uur (van vertrek) had, dat geschikt zou voor de voorgenomen reis/tocht. Driemaal heb ik de drempel aangeraakt, driemaal ben ik teruggeroepen, ook mijn voet zelf/mijn eigen voet was traag voor mij omdat hij (graag) toegevend was aan mijn hart. Dikwijls heb ik weer veel gesproken, nadat ik (weer eens) 'vaarwel' had gezegd, en heb ik, terwijl ik deed alsof ik wegging, de (aller)laatste kussen gegeven. Dikwijls heb ik dezelfde opdrachten gegeven, en heb ik me zelf voor de gek gehouden, terwijl ik met mijn ogen omkeek naar alles wat mij dierbaar is/al mijn dierbaren. Tenslotte zei ik: "Waarom haast ik mij? het is Scythiė, waarheen wij geturd worden. Rome moet verlaten worden. Elk van beide is een terecht(e reden voor) uitstel. Mijn vrouw, hoewel zij leeft, wordt voor eeuwig aan mij, hoewel ik nog leef, onthouden, ook mijn huis en de trouwe leden van mijn diebare huishouding, en mijn kameraden van wie ik hield als broers, o hartsvrienden met mij verbonden met de trouw van Theseus! Zolang het toegestaan is, zal ik (jullie) omarmen, misschien zal het nooit meer toegestaan zijn. Elk/Een uur dat mij gegeven wordt is winst (voor mij). Maar zonder uitstel/plotseling laat ik de woorden van mijn gesprek onafgemaakt, terwijl ik ieder die mij het meest het hart ligt omarm.

Terwijl ik praat en wij wenen, was zeer schitterend aan de hoge hemel, de voor ons fatale ster, Lucfer, opgekomen. Ik word verscheurd niet anders dan als ik mijn ledematen zou achterlaten en een deel van het eigen lichaam afgerukt schijnt te worden. Zulke pijn had had Mettius toen, toen in tegengestelde richtingen gewende paarden had als wrekers van zijn verraad. Op dat moment rijst echt het geschreeuw en gejammer van de mijnen op en slaan bedroefde handen op de blote borsten. Toen echt mengde mijn vrouw, zich vastklampend aan de schouders van de vertrekkende, deze droeve woorden met mijn tranen: "Je kunt niet weggerukt worden. We zullen samen vanhier, samen weggaan", zei zij, "ik zal jou volgen en als balling zal ik de vrouw van een balling zijn. Ook voor mij is de weg gemaakt, ook mij zal het uiterste der aarde herbergen: ik zal als kleine bagage van een balling aan boord van het schip gaan. De toorn van Caesar beveelt jou uit het vaderland weg te gaan, mij (beveelt) de plichtsgetrouwheid/liefde. Deze plichtsgetrouwheid/liefde zal voor mij Caesar zijn." Dergelijke dingen probeerde zij, zoals zij al eerder geprobeerd had, en met moeite gaf zij zich gewonnen door de praktische overwegingen. Ik ga naar buiten - of was dat een naar het graf gedragen worden zonder begrafenis(stoet) - smerig met los neerhangende haren langs een stoppelig gezicht.

Men vertelst dat zij, buiten zinnen van verdriet, nadat er een flauwte bij haar opgekomen was, middenin het huis voorover op de grond viel: en dat zij, toen zij zich met door het vuile stof vies geworden haren opgericht had en haar ijskoude ledematen van de grond had opgeheven, nu eens zichzelf, dan weer de verlaten Penaten bejammerd heeft en dikwijls de naam van haar weggerukte man geroepen heeft. En dat zij niet minder geklaagd/gezucht heeft dan als zij de lichamen van haar dochter en man op de opgerichte brandstapels had zien liggen en dat zij wilde sterven en door te sterven haar gevoelens afleggen, en dat zij toch niet gestorven was uit respect voor mij. Moge zij leven, en moge zij leven opdat zij de afwezige, aangezien het lot het zo gebracht heeft, onafgebroken met haar hulp ondersteunt.