Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Lingua Latina > Boek 2

Hoofdstuk 15, oefeningen: 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8

2. 1. Het is bekent dat Octavianus met zijn eigen geld troepen op de been heeft gebracht. 2. Want het bleek hem dat grote gevaren het Romeinse volk bedreigden. 3. Hij wist namelijk dat Brutus en Cassius samen met anderen een aanslag op Caesar hadden voorbereid. 4. Maar die mannen wisten niet dat bijna alle mensen de dood van Caesar afkeurden. 5. Daarom waren veel Romeinen blij dat Brutus en Cassius uit Rome waren weggegaan en over zee naar Griekenland waren gevaren. 6. Toen treurden de Romeinen niet dat er geen oorlog in ItaliŰ was. 7. Later waren allen blij dat Octavianus een einde aan de oorlogen had gemaakt. 3. 1. Laoco÷n heeft gezegd dat hij bang is voor een hinderlaag van de Grieken. 2. De Trojanen menen niet dat Odysseus een hinderlaag had voorbereid voor hem zelf. 3. De slechte man heeft vertelt dat hij zich in de bossen had verborgen. 4. Koning Priamus gelooft dat de hinderlaag door Odysseus is voorbereid. 5. Het is duidelijk dat de Trojanen aan hem vertrouwde. 6. De Trojanen geloofde niet dat hij met list en bedrog handelde. 7. Daarom meenden de Trojanen dat ze vrij zijn van gevaar. 4. 1. Faustulus ziet dat de jongens te vondeling zijn gelegd. 2. Wij weten dat de jongens door Faustulus gered zijn. 3. Wij hebben gehoord dat de slechte koning de jongen te vondeling heeft gelegd. 5. 1. Het is bekend: de namen zijn door Faustulus aan de jongens gegeven. 2. Wij denken: Romelus en Remus hebben lange tijd tussen de herders geleefd. 3. Nauwelijks geloven wij: de jongens zijn toevallig naar hun grootvader gekomen. 4. Wie is niet blij: het koninkrijk is teruggeven aan koning Numitor. 6. 1. De Trojanen meenden dat het houten paard een geschenk was van de Grieken. 2. De Trojanen geloofden niet dat Odysseus vaak met een list vocht. 3. De priester Laoco÷n zei tevergeefs dat hij vreesde voor een hinderlaag van de Grieken. 4. Want Laoco÷n meende dat soldaten zich hadden verborgen in dat paar zelf. 5. Maar de Trojanen hebben gezien dat de priester te grazen werd genomen. 7. 1.Laocoon verzekert dat de Trojanen in gevaar zijn. 2. Daarom verzekert hij dat Odysseus vaak een hinderlaag voor de Trojanen heeft voorbereid. 3. Laoco÷n is zeer bedroeft dat de Trojanen zijn woorden niet geloven. 4. Maar het blijkt dat zij door de priester goed gewaarschuwd zijn. 5. Laoco÷n meent dat slechte hinderlagen zijn voorbereid door Odysseus. 6. Hij weet namelijk dat grote wijsheid aan hem is. 7. Het blijkt dat Odysseus vecht met list. 8. Het is gebleken dat Odysseus vecht met list. 9. Veel weten niet dat Odysseus een hinderlaag had voorbereid. 10. Veel wisten niet dat Odysseus een hinderlaag had voorbereid. 11. Laoco÷n vreest allen tussen de Trojanen voor de wijsheid van Odysseus. 12. Laoco÷n weet dat hij met een list voor hen een hinderlaag voorbereid. 13. Daarom meent Laoco÷n dat zijn leven in gevaar is. 14. Maar veel Trojanen ontkennen dat voor hun zelf geen gevaar dreigt. 8. 1 Enkele herders komen naar de mensen. 2. Hij was een Grieks mens 3. Odysseus heeft een hinderlaag voor hen voorbereid. 4. Maar hij had het leven gered met een vlucht. 5. De slechte man heeft verteld over de ridder . 6. Vele Trojanen geloofden de woorden van hem. 7. De Trojanen trokken het paard naar de stad. 9. 1. D 2. E 3. A 4. G 5. C 6. B 7. H 8. F