Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Lingua Latina > Boek 2

Hoofdstuk 14, tekstblok

Troje was een sterke stad gelegen in Azië; deze stad is in oude tijden lang door Griekse troepen belegerd. Paris, de zoon van koning Priamos, had immers Helena, de vrouw van koning Menelaos, uit Griekenland over zee naar zijn vaderland ontvoerd. Tevergeefs hadden de Griekse leiders de teruggave van de ontvoerde (vrouw) verlangd. Telkens weer hadden de Trojanen de vrouw aan hen geweigerd (terug te geven). Daarom streden de Grieken met de Trojanen gedurende tien jaar uit alle macht, totdat Troje, nadat het door een list en niet door geweld veroverd was, met stadsmuren en torens en al werd verwoest. Vervolgens, omdat hij door de goden zelf gewaarschuwd en gered was, ontsnapte Aeneas en ging met een klein aantal metgezellen naar Italië. De godin Venus, de moeder van Aeneas, had namelijk haar zoon als volgt aangespoord: "Door de wil van Jupiter zelf is er in Italië voor de Trojanen een nieuw vaderland bestemd." Maar Aeneas werd door tegenwinden over de zeeën voortgedreven naar die streek in Afrika, waar in Carthago zojuist gesticht was door koningin Dido. Ook Dido had haar vaderland verlaten, omdat haar man Sychaeus gedood was, door haar eigen broer, die vol verlangen naar rijkdom was. Toen was ook Dido zelf in het grootste gevaar geweest. Immers was er een aanslag op haar zelf voorbereid. Daarom was ze op de vlucht geslagen en had een nieuw vaderland gezocht. Aeneas was echter nauwelijks in Carthago binnengekomen, toen Dido op die knappe en rechtschapen man verliefd werd. Aeneas van zijn kant (op zijn beurt) was ook verliefd op de koningin en bleef lange tijd bij haar.