Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Lingua Latina > Boek 3

Hoofdstuk 40, tekstblok 3: Wat moet er met de Christenen gebeuren

r.1 Gaius Plinius, terwijl hij de provincie Bithinia leidt, was gewend imperator Trajanus om raad te vragen, in alle onzekere dingen die hem vooral begunstigde,wat gedaan moest worden.
r.4 Daarom, toen aan hem (favere + dativus) een aanklacht was voorgelegd, die de namen (acc mv) van veel Christenen bevatte, schreef hij dit (acc mv) ongeveer aan Trajanus:
r. 6 `Ik ben nooit aanwezig geweest bij de gerechtelijke onderzoeken naar de Christenen;
r. 7 daarom weet ik niet, door wie die dingen ten laste wordt gelegd (afhankelijke vraag), wat aan mij of zal moeten worden gestraft of zal moeten gezocht.
r. 9 Maar ik betwijfelde niet een beetje, of er een of ander onderscheid was met de leeftijden of dat de zwakken niets verschillen van de sterkeren of dat vergeving gegeven wordt aan hen die spijt hebben of dat voor hem, die eens christen was, niet nuttig is om opgehouden te zijn,
r. 12 of dat de naam Christen zelf gestraft moet worden of de schande die verbonden is met de naam.
r. 13 Ondertussen heb ik deze regel gevolgd bij hen die bij mij gemeld werden als Christen:
(sum secutus = deponens & essent = coniunctivus: onafhankelijke vraag)
r. 15 Ik ondervroeg henzelf, of ze Christen waren.
r. 16 Ik ondervroeg degenen die bekenden voor de 3e keer nadat ik hen had bedreigd met de doodstraf. (minatus = ppp deponens)
r. 17 Ik beval dat degenen die volharden weggevoerd werden voor de terechtstelling.
r. 18 Ik twijfelde namelijk niet, dat de halsstarrigheid zeker gestraft moest worden, wat het ook maar was dat zij bekenden.
r. 20 Er waren anderen van gelijke dwaasheid, die ik, omdat ze Romeinse burgers waren registreerde, om terug te sturen naar de stad.
r. 22 Ik meende dat zij, die echter of ontkenden dat zij Christen zijn of geweest en die de goden en jouw beeld vereerden, door mij vrijgelaten moesten worden.
r. 24 Hierop antwoordde de keizer zo:
r. 25 `de handeling, die jij moest doen bij het onderzoeken van de rechtszaken van hen, die bij jou aangegeven waren als Christenen, heb jij gevolgd. (Christiani = nominativus)
r. 27 Want zij moeten immers niet worden opgespoord door beambten.
( gerundivum van verplichting & magistratibus = dativus auctoris)
r. 28 Als zij gemeld worden en hun schuld wordt bewezen, moeten zij worden gestraft,
r. 29 maar zo, dat hij, die ontkende dat hij Christen was en dit duidelijk maakte door het offeren aan onze goden, vergiffenis krijgt, hoewel (hij) verdacht (is) met het oog op het verleden. ( ita = dat. ( ita is meestal + coniunctivus) )
r. 32 Maar voorgelegde anonieme aanklachten moeten een plaats hebben bij geen enkele beschuldiging.
r. 33 Als wij die aan zouden nemen, zouden wij zeer slechte voorbeelden volgen. (irrealis)