Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Lingua Latina > Boek 3

Hoofdstuk 31, tekstblok

Die beruchte Dionysius was tiran van Syracuse gedurende vele jaren, die de stad met zeer grote schoonheid en zeer rijke burgerij in slavernij onderdrukt hield. En toch hebben goede schrijvers geschreven dat dezelfde man met een ongelooflijk ijver en een scherp verstand was, maar hij was misdadig van aard en onrechtvaardig. En omdat die dingen zo waren, is het nodig dat hij ongelukkig geweest was. Hij geloofde immers niemand van de burgers, maar aan slaven en enkelen barbaren vertrouwde hij zijn gezondheid toe, aan mensen van zeer hoge moed. Toen dezelfde niet waagde in de spreekstoel plaats te nemen, was hij gewoon van de hoge toren een rede te houden voor het volk. En deze tiran oordeelde ongetwijfeld zelf, hoe gelukkig hij was; Want toen ene Damocles in een gesprek sprak over zijn troepen en ook zijn macht, kracht, de hoogheid van zijn heerschappij en de grootte van zijn huis prees, zei hij; “Dus verlang jij niet, o Damocles, aangezien dit alles jou verblijdt, wil jij dan hetzelfde leven te leven als ik en mijn geluk leren kennen?” Toen Damocles had bevestigd dat hij dit juist wenste, beval hij hem zich op het gouden aanligbed te zetten. Toen beval hij dat enkele jongen van uitstekende gestalte bij de tafel te gaan staan en wijn en voedsel van de heerlijkste smaak te serveren, dat veel kostte. Reeds beschouwde Damocles zich gelukkig, als hij plotseling hevig geschrokken is: Van boven bedreigt namelijk een scherp zwaard hem en het zwaard blijkt aan een paardenhaar te hangen! Hij keek daarom niet naar die mooie jongens en niet naar de kunst van wonderlijk zilver en hij strekte zijn hand niet uit naar de tafel, maar hij smeekte slechts dit, dat het hem vrij stond weg te gaan. “Voldoende immer,” zei hij “heeft u mij aangetoond meester, hoedanig het leven van tirannen is. Uw invloed en macht acht ik niet zozeer, dat ik een leven van dien aard wens te leven.”