Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Latijn

x - Werkwoordsvormen

Bij de meeste woorden staan geen werkwoordstammen, omdat je die zelf kunt afleiden.
Bij de onregelmatige werkwoorden Posse en Esse staat XXXXX, omdat deze geen werkwoordstam hebben
Infinitivus Preasens-stam Perfectum Perfectum-stam
Abducere (a/ab) (Abduc-) abduxi (Abdux-) Wegleiden (van)
abire (abi-) abii (abi-) Weggaan
Accendere ad   Adessi   Gaan naar
accidere (Accid-) Accidit (Accid-) Gebeuren
accipere   Accepi   Ontvangen
accumbere   acubui   Gaan aanliggen
accurrere   Acurri   Rennen naar, aan komen rennen
addere (Add-) Addidi (Addid-) Toevoegen
adducere   Adduxi   Brengen (naar)
adesse   Adfui   Aanwezig zijn
adferre   Attuli   Brengen (naar) aanwezig zijn
adire   Adii   Gaan naar
adiuvare (Adiuv-) Adiuvi (Adiuv) Helpen
advenire (Adveni-) Adveni (Adven-) Aankomen
agere (Ag- ) Egi (Eg- ) Doen
aperire   Aperui   Openen
ascendere (Ascend-) Ascendi (Ascend-) Beklimmen, omhoog gaan
aspicere   Aspexi   Kijken naar, aankijken
cadere (cad-) Cecidi (Cecid-) Vallen
canere   Ceceni   Zingen
capere (cap-) Cepi (Cep-) Pakken, nemen
cedere   Cessi   (aan de kant) gaan
claudere (Claud-) Clausi (Claus-) Sluiten
cognoscere   Cognovi   Te weten komen, leren kennen
        Weten, kennen
colere   Colui   1 Bebouwen 2 zorgen voor 3 vereren
colligere (Collig-) Collegi (Colleg-) Verzamelen
complčre (Comple-) Complevi (Complev- Vullen
componere   Composui   1 samenstellen 2 bijeenzetten
considere   Consedi   Gaan zitten
consistere (Consist-) Constiti (Constit-) Gaan staan, blijven staan
conspicere   Conspexi    Zien
constituere   Constitui   Besluiten
Contendere ad (contend-) Contendi (Contend- Gaan naar, op weg zijn naar
convenire (Conven-) Conveni (Conveni) Bijeenkomen
cupere   Cupivi   Willen, verlangen
currere (curr-) Cucerri (Cucurr-) Rennen
dare (Da-) Dedi (Ded-) Geven
decidere   Decidi   Neervallen
deducere   Deduxi   Begeleiden
deicere (Deic-) Deieci (Deiec-) Naar beneden gooien
descendere (Descend-) Descendi (Decend-) Afdalen, naar beneden gaan
desinere   Desii   Ophouden
dicere (Dic-) Dixi (Dix-) Zeggen
diripere   Diripui   Plunderen
Discedere(e/ex) (Diced-) Discessi (Dicess-) Weggaan (uit)
discere   didici   Leren
ducere   duxi   Leiden,brengen
emere   Emi   Kopen
esse XXXXXX Fui XXXXXX Zijn
evadere (Evad-) Evasi (Evas-) Ontsnappen
excipere   Excepi   Opvangen
exprimere   Expressi   Persen, uitdrukken
extrahere   Eextraxi   Uitrekken
facere (Fac-) Feci (Fec-) 1 maken 2 doen
ferre   Tuli   1 dragen 2 brengen
fugere (Fug-) Fugi (Fug-) Vluchten
fundere   Fudi   Gieten, storten
gerere   gessi   Dragen
iacere (Iac-) Ieci (Iec-) Werpen, gooien
incipere (Incip-) Incepi (Incep-) Beginnen
inspicere   Inspexi   Bekijken
intellegere (Intelleg-) Intellexi (Intellex-) Begrijpen
interficere (Interfic-) Interfeci (Interfec-) Doden
invenire (Inveni-) Inveni (Inven-) Vinden
ire   Ii   Gaan
iubčre   Iussi   Bevelen
lavare   Lavi   Wassen
legere   Legi   1 lezen 2 kiezen 3 verzamelen
ludere   Lusi   Spelen
mittere (Mitt-) Misi (Mis-) Sturen, zenden
movčre   Movi   Bewegen, in beweging brengen
ostendere   Ostendi   Laten zien
pendere   Pependi   Hangen
peragere   Peregi   Doorbrengen
perficere   Perfeci   Voltooien
perire   Perii   Omkomen, sterven
permittere   Permisi   Toestaan
pervenire   Perveni   Aankomen
petere   Peti(v)i   1 zoeken 2 vragen 3 op weg gaan naar
ponere (Pon-) Posui (Posu-) (neer) zetten
posse XXXXXX Potui (Potu-) Kunnen
possidčre   Possedi   Bezitten
premere   Pressi   Onder druk zetten, drukken
procedere   Processi   Voortgaan
promittere   Promisi   Beloven
proponere (Propon-) Proposui (Proposu-) Voorstellen
protegere   protexi   Beschermen
quaerere   quaesivi   1 zoeken 2 vragen
rapere (Rap-) Rapui (Rapu-) Roven, meenemen
reddere (Redd-) Reddidi (Reddid-) Teruggeven
redire   Redii   Teruggaan
reducere   Reduxi   Terugbrengen
referre   Rettuli   Terugbrengen
reficere   Refeci   Herstellen
regere   Rexi   Besturen, regelen
relinquere   Reliqui   Verlaten
resistere   Restiti   Zich verzetten
respondčre (Responde-) Respondi (Respond-) Antwoorden
ridčre (Ride-) Risi (Ris-) Lachen
scribere   Scripsi   Schrijven
sedčre   Sedi   Zitten
sentire   Sensi   Voelen, merken
solvere   Solvi   1 losmaken 2 betalen
stare   Steti   Staan
surgere (Surg-) Surrexi (Surrex-) Opstaan
suscipere   Suscepi   Op zich nemen
tollere   Sustuli   Optillen, opheffen
tradere (Trad-) Tradidi (Tradid-) Overhandigen
trahere (Trah-) Traxi (Trax-) Trekken
traicere   Traieci   Oversteken
tremere   Tremui   Trillen, schokken
tribuere   Tribui   Geven
vendere (Vend-) vendidi (Vendid-) Verkopen
venire (Veni-) Veni (Ven-) Komen
Vertere (Vert-) Verti (Vert-) (om)draaien, wenden
vidčre (Vide-) Vidi (Vid-) Zien
vincere (Vinc-) Vici (Vic-) Overwinnen
visere   Visi   Gaan zien, bezoeken
vivere   vixi   leven