Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Latijn

x - De syntaxis van de naamvallen

1. Nominatief
onderwerp neemt het getal over van het werkwoord.

gezegde neemt het getal en geslacht over van het onderwerp en staat bij een koppelwerkwoord.
De koppelwerkwoorden:
* esse – zijn * fieri – worden * videri – schijnen, lijken * manere – blijven * dici – genoemd worden, heten * appellari - genoemd worden, heten als de werkwoorden * vocari – genoemd worden, heten actief worden * nominari - genoemd worden, heten wordt het gezegde * haberi – beschouwd worden als bepaling van * duci – beschouwd worden als gesteldheid * creari – gekozen, aangesteld worden

bijgesteld adjectief

bijstelling

bepaling van gesteldheid of dubbelverbonden bepaling


2. Accusatief
lijdend voorwerp de gewone aanvulling van overgankelijke
(actieve en deponente) werkwoorden.

dubbel lijdend voorwerp twee LV. van persoon en van zaak bij werkwoorden zoals celare – verbergen, docere – onderwijzen en rogare – vragen.

prefixaccusatief twee accusatieven waarvan de 1ste LV. en de andere hangt af van het voorzetsel.

onderwerp of gezegde van de infinitiefzin

accusatief van richting

accusatief na voorzetsels
ad: bij, naar, tot bij, om te, tot, ongeveer …
adversum / adversus: tegenover, tegen
ante: voor
circa: rond(om), in de buurt van, omstreeks, ongeveer
circum: rond(om), in de buurt van
contra: tegen(over), tegen (in)
erga: tegenover,
extra: uit, van, sinds, vanaf, onmiddellijk na, wegens, op grond van…
in: naar, tot in, voor, in, overeenkomstig, volgens, tegenover
infra: beneden, onder
inter: tussen, tijdens gedurende
intra: binnen
iuxta: naast
ob: voor, wegens, om
per: door(heen), over, gedurende, door (middel van), bij, uit naam van, met
post: achter, na
praeter: langs, voorbij, behalve, in strijd met
prope: nabij
propter: wegens
secundum: langs, onmiddellijk na, volgens
sub: tot onder, omstreeks, kort voor/na, onder
super: boven (op), meer dan
supra: boven
trans: over, aan de andere kant, over … heen
ultra: voorbij, verder dan

congruerende bepalingen: predicaatsnomen; bijgesteld adjectief; bijstelling en bepaling van gesteldheid


3. Genitief
van de bezitter

onderwerpsgenitief De genitief kan het onderwerp uitdrukken van een werkwoord dat stamverwant is met het regerend substantief.
vb: Caesaris mors (Caesar moritur) => De dood van Caesar (Caesar sterft)

voorwerpsgenitief bij volgende werkwoorden: * meminisse – zich herinneren * oblivisci – vergeten * misereri – medelijden hebben * potiri - beheersen
vb: metus mortis (mortem metuimus) => de vrees voor de dood (wij vrezen de dood)

genitief van het geheel
voorb: magna pars militum => een grote deel van de soldaten

als vaste aanvulling bij adjectieven:
VW-genitief: * avidus – begerig naar * cupidus – begerig
naar * conscius – medeplichtig aan, bewust van * ignarus – onwetend van * peritus – vol van genitief van het geheel: * plenus – vol

congruerende bepaling bijgesteld adjectief:; bijstelling; bepaling van gesteldheid


4. Datief
datief van meewerkend voorwerp wordt gebruikt bij werkwoorden met als vertaling geven, zeggen… en onpersoonlijke werkwoorden zoals
(mihi)accidit / evenit – het overkomt (mij)
(mihi) contingit – het overkomt (mij); het lukt (mij)
(tibi) licet – het is (jou) geoorloofd; (jij) mag
(tibi) expedit – het is nuttig (voor jou)
(nobis) opus est – (wij) hebben nodig
(vobis) placet – het bevalt (jullie), (jullie) vinden goed, (jullie) besluiten
(eis) videtur – het schijnt (hun); (zij) vinden goed; (zij) besluiten

voor- en nadeel
De datief kan de persoon of zaak uitdrukken die voor- of nadeel bij de handeling ondervindt.

voorwerpsdatief
- bij volgende werkwoorden:
* (con)fidere – vertrouwen op
* diffidere – wantrouwen
* credere – geloven
* favere – begunstigen
* gratias agere – bedanken * irasci – boos worden op
* invidere – benijden, misgunnen * nocere – schaden
* parcere – sparen * persuadere – overtuigen
* studere – zich toeleggen op servire: dienen
- als vaste aanvulling bij:
* fidus – trouw
* iratus – woedend
* par – gelijk aan, opgewassen tegen
* impar – niet gelijk aan, niet opgewassen tegen
* dissimilis – ongelijk, niet gelijkend op
* similis – gelijk, gelijkend op

prefixdatief bij werkwoorden samengesteld met ad-, ante-, cum-, in-, inter-, ob-, prae-, sub-, super-. Meestal met een figuurlijke betekenis.

Datief van de bezitter !Staat altijd met een vorm van esse!
vb: Regi duo filii erant. => Een koning had twee zonen.

Datief van de handelend persoon bij gerundivum + esse

datief als vaste aanvulling
bij *finitimus – aangrenzend *propinquus – nabij, verwant *proximus – dichtstbij, verwant *vicinus – in de buurt van, naburig

congruerende bepaling bijgesteld adjectief; bijstelling en bepaling van gesteldheid.


5. Ablatief
Bijwoordelijke bepalingen:
middel vraag: waarmee?

oorzaak/ reden vraag: waardoor?/ waarom?

wijze vraag: hoe?

tijd vraag: wanneer?

handelende persoon of handelend voorwerp

voorwerpsablatief bij een aantal deponente werkwoorden:
*frui – genieten van *potiri – bemachtigen, beheersen *fungi – zich kwijten van *uti – gebruiken * niti – steunen op

ablatief na voorzetsels a(b): (weg) van, van bij, aan de … kant, vanaf, sinds, na, door (bij pass.wwn.), tegen…
cum: (samen) met
de: van…af, (van…)uit, nog tijdens, over, van, wegens
e(x): uit, van, vanaf, sinds, onmiddellijk na, wegens, op grond van
in: in, op, tijdens…
prae: vσσr…uit, in vergelijking met, meer dan, wegens
pro: voor, vooraan op, ten voordele van, in plaats van, overeenkomstig, in verhouding tot
sine: zonder
sub: onder, bij, omstreeks
super: boven(op), over, met betrekking tot
van scheiding of afstamming bij de werkwoorden: *carere – missen, vrij zijn van *liberare – bevrijden van *liberare – bevrijden van *nudare – beroven van *privare – beroven van *spoliare – beroven van *vacare – vrij zijn van * (ei) opus est – (hij) heeft nodig
bij de adjectieven: *liber – vrij van *nudus – naakt, beroofd van *privatus – beroofd van *vacuus – leeg, vrij van

2de lid van de vergelijking


6. Vocatief
aanspreking