Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Kosmos > Oude druk

Hoofdstuk 10, tekst C: De toespraak van Medeia

225 Mij overkwam een onverwachte zaak/gebeurtenis [eienlijk: ptc.], (en wel) deze, en
richtte mijn leven te gronde; ik ben verloren (en), gaf de charme van het bestaan
op en verlang te sterven, vriendinnen.
Want degene op wie voor mij alles berustte [letterlijk: was] - ik weet het
goed – heeft zich als de slechtste der mannen ontpopt, mijn echtgenoot.
230 Van alles wat bezield is en een mening heeft,
zijn wij vrouwen het ongelukkigste ‘groeisel’.
In de eerste plaats moeten zij met een gigantische hoeveelheid geld
een echtgenoot kopen en een meester over hun lichaam
krijgen; want er is nog een ergere ramp dan deze ramp,
235 en het grootste risico is hierin gelegen, of een goede te krijgen of
een slechte; want scheidingen zijn niet eervol
voor vrouwen en niet is het mogelijk een echtgenoot af te wijzen.
Gekomen tot nieuwe gewoonten en gebruiken
moet zij een ziener zijn, als zij dit niet van huis uit geleerd heeft,
240 hoe zij het best met haar bedgenoot zal omgaan.
En als onze echtgenoot, nadat wij deze dingen goed voor elkaar gekregen hebben,
met ons samenwoont, zonder met geweld/tegenzin het juk te dragen,
dan is het leven benijdenswaardig; maar zo niet, dan moeten we sterven.
Maar wanneer een man zich eraan ergert samen te zijn met de mensen binnen/thuis,
245 gaat hij naar buiten [eigenlijk: ptc.] en laat zijn hart stoppen met walging,
door zich te wenden [ptc.aor.] naar een vriend of een leeftijdgenoot.
Maar voor ons is het noodzakelijk naar één ziel/levend wezen te kijken.
Ze zeggen over ons dat wij een leven zonder gevaren leven
thuis, maar dat zij met de lans strijden,
250 terwijl ze een slechte mening hebben; want ik zou liever driemaal naast het schild
willen staan dan eenmaal een kind baren.