Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 2, tekst 3C: De kruisiging (Mattheus 27.31-44)

1 En nadat zij hem hadden bespot, deden ze hem de mantel uit en trokken hem zijn kleren aan, en voerden hem (mee) om te kruisigen. Terwijl ze weggingen echter, troffen ze een man uit Cyrene, genaamd Simon. Deze dwongen ze om zijn kruis op te tillen. En ze kwamen bij een plaats die Golgotha wordt genoemd omdat het een plaats is van een schedel. En ze gaven hem wijn te drinken 5 gemengd met gal. En toen hij het had geproefd, wilde hij niet drinken. Nadar ze hem echter hadden gekruisigd, verdeelden ze zijn kleren, erom lotend, opdat in vervulling ging wat door de profeet is gezegd, zeggend: Zij verdeelden voor zich mijn kleren, en hebben om mijn kleding geloot. En zittend bewaakten ze hem. En zij plaatsten boven zijn hoofd een opschrift met de reden van zijn veroordeling. Dit is Jezus, koning der joden. Toen werden met hem twee boeven gekruisigd: n rechts en n links. Voorbijgangers beledigden hem echter, terwijl ze hun hoofden bewogen/schudden en zeiden: H, jij die de 10 tempel (van God) afbreekt en die in drie dagen weer opbouwt, red jezelf. Als je de zoon van God bent, daal af van je kruis. Gelijkelijk ook de leiders van de priesters, (hen) bespottend met de schriftgeleerden en oudsten, zeiden: hij heeft anderen gered, zichzelf kan hij niet redden. Als hij koning van Isral is, laat hij dan nu van het kruis afkomen en wij geloven hem. Hij vertrouwt op God: laat hij hem nu bevrijden als hij wil. Want hij heeft gezegd: Omdat ik zoon van God ben. Echter hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren.