Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 14, tekst B-2C: Divinatio berust op inzicht in oorzaak en gevolg (= kennis van het fatum) (127)

1 Bovendien, daar alles door het noodlot gebeurt, wat op een andere plaats uit de doeken gedaan /getoond/ zal worden, als er een mens zou kunnen zijn, die in zijn geest het verband van alle oorzaken zou doorzien, (dan) zou hem waarachtig niets kunnen ontgaan. Immers wie de oorzaken van de toekomstige gebeurtenissen zou weten, die (zelfde) zou onvermijdelijk alles weten, wat in de toekomst ligt. Omdat niemand dat kan (doen), behalve de godheid, moet het voor de mens (slechts) overblijven /overgelaten worden/, dat hij door bepaalde tekenen, die tonen wat volgt, de toekomst voorvoelt.
5 Want dat wat zal geschieden /zijn/, ontstaat niet opeens, maar als(of) het afwikkelen van een klos touw (zo) is het verloop van de tijd, die niets nieuws tot stand brengt en (gewoon) wat er oorspronkelijk is, uitrolt. Dit zien niet alleen zij aan wie de natuurlijke zienersgave is gegeven, maar ook zij aan wie de loop der gebeurtenissen bekend is door (ze) waar te nemen. Ook al zien zij de oorzaken zelf niet, zij zien toch de tekenen en kenmerken van de oorzaken; door de daarop toegepaste herinnering en oplettendheid Ún door de getuigenissen van vroegere gebeurtenissen komt die zienersgave tot stand, die vakmatig genoemd wordt op grond van (observaties van) ingewanden, bliksems, wondertekenen 10 en tekenen aan de hemel.