Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 14, tekst B-2B: Alles gebeurt door het fatum (125-126)

1 Daarom vind ik, zoals Posidonius doet, dat het hele fenomeen van voorspellen allereerst op de godheid, waarover genoeg gezegd is, vervolgens op het noodlot, (en) dan (pas) bij de natuur teruggevoerd moet worden. Welnu, de rede dwingt (ertoe) te erkennen dat alles door het noodlot gebeurt. Het noodlot nu noem ik dit, wat de Grieken heimarmenč noemen, dat wil zeggen: een reeks oorzaken op rij, daar de (ene) oorzaak, gevoegd bij een (andere) oorzaak iets /een zaak/ teweegbrengt. Dat is een uit alle eeuwigheid voortvloeiende eeuwige waarheid. Daar dit zo is, 5 is er niets gebeurd, dat niet had moeten gebeuren en op dezelfde manier zal er niets zijn, waarvan de oorzaken, die juist dit tot standbrengen, niet in de natuur besloten liggen (lett.: de natuur niet in zich draagt).
Op grond hiervan begrijpt men, dat het noodlot niet dat is wat uit bijgeloof zo wordt genoemd, maar [wat] op natuurwetenschappelijke manier de eeuwige oorzaak der dingen genoemd wordt, waardoor niet alleen, wat voorbijgegaan is, gebeurd is, maar ook wat in het heden plaatsvindt, gebeurt én wat volgt, zál gebeuren /zijn/. Zo komt het, dat ook door waarneming opgemerkt kan worden, welke zaak meestal op iedere oorzaak volgt - zij het niet altijd, want dít is (wel) moeilijk vol te houden - 10 en het is waarschijnlijk, dat diezelfde oorzaken voor toekomstige gebeurtenissen /dingen/ door hen begrepen worden, die die (oorzaken) in extase of in hun slaap zien.