Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 13, tekst 1B: De redenen van de woede van Juno

Er was een oude stad - Tyrische kolonisten bewoonden haar- Carthago, tegenover ItaliŽ en de op grote afstand gelegen monding van de Tiber, rijk aan bezittingen en zeer ruw in haar oorlogsdrang, die, naar men zegt, Juno meer dan alle landen in het bijzonder met achterstelling van Samos: Hier waren haar wapens, hie was haar wagen; Toen al streefde de godin ernaar en koesterde het verlangen dat deze stad zou heersen over de volkeren, als het noodlot het op een of andere manier zou toestaan.

Maar inderdaad had zie gehoord dat er een nageslacht voortkwam uit Trojaans bloed, deze eens de Tyrische burcht zou verwoesten; dat hiervan een volk, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog, zou komen tot ondergang van LybiŽ; dat de Parcen zů beschikten.

Hiervoor bang en denkend aan de oude oorlog die de Saturnische vorheen bij oorzaken van haar dierbare Argos - en ook waren nog niet de oorzaken van haar woede en de wrede verbittering uit haar hart verdwenen; diep in haar geheugen geprent bleef het oordeel van Paris, het onrecht van het afwijzen van haar schoonheid, het gehate geslacht en de privileges van de geroofde Ganymedes - hierdoor verbitterd bovendien weerde zij de Trojanen, die heen en weer geslingerd waren over de hele zee, alles wat overgelaten was door de Grieken en de wrede Achilles, ver af van Latium en zij zwierven gedurende vele jaren, gedreven door het lot, rond op alle zeeŽn. Zoveel moeite was het om het Romeinse volk te stichten.