Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 11, tekst 5H: Hispala kan met moeite gerustgesteld worden (39.13, 1-7)

1 De vrouw, in de mening dat Aebutius ongetwijfeld, hetgeen zo was, de verrader van het geheim was, viel neer voor de voeten van Sulpicia, en zij begon haar eerst te smeken of zij het gesprek van een vrijgelaten vrouw met haar minnaar niet alleen niet als een gewichtige zaak, maar ook niet als een halsmisdaad wilde behandelen: dat zij wegens het verschrikken van hem (om hem te verschikken), niet omdat zij iets wist, deze dingen had gezegd. Hierop zei Postumius, in woede ontstoken, dat zij geloofde dat zij ook nu nog met haar minnaar Aebutius gekscheerde, en niet in het huis 5 van een zeer voorname vrouw en met de consul sprak. Sulpicia tilde de angstige vrouw op, (en) evenzo spoorde zij haar aan, als kalmeerde de woede van haar schoonzoon. Uiteindelijk moed gevat hebbend, nadat de trouweloosheid van Aebutius zeer (door haar) was bekritiseerd, die haar, die zich tegenover hemzelf zeer verdienstelijk had gemaakt, een zo grote dank had betuigd, zei zij dat zij een grote angst had voor de goden, van wie zij de geheime cultus zou verraden, maar een nog veel grotere angst voor de mensen die klaar stonden om haar als verraadster met hun eigen handen te verscheuren. Dat zij daarom dit Sulpicia, dit de consul smeekte, dat zij haar wegstuurden ergens buiten ItaliŽ, waar zij veilig de rest van haar leven kon doorbrengen.
10 De consul beval haar vol goede moed te zijn en hij zei dat hij er zorg voor droeg dat zij veilig te Rome zou wonen.